wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examen idioom

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

mortgage

a)

hypotheek

b)

huur

c)

verzekering

d)

belasting

2.

To neglect

a)

opsporen

b)

bezeten

c)

verwaarlozen

d)

verwennen

3.

to persuade

a)

Overeenkomst

b)

Overhalen

c)

Verleidelijk

d)

Verleiden

4.

inferior

a)

beter dan

b)

minder dan

c)

gelijk aan

d)

hoger dan

5.

To disown

a)

Verstoten

b)

eigenaar zijn

c)

afstand houden

d)

oplossen

6.

cautious

a)

spannend

b)

voorzichting

c)

behoedzaam

d)

rekening houden

7.

emphasis

a)

indruk

b)

fases

c)

gevoel tonen

d)

nadruk

8.

to exaggerate

a)

groter maken

b)

interessant doen

c)

overdrijven

d)

meedoen

9.

patience

a)

spelletje

b)

wanhopig

c)

patient

d)

geduld

10.

urge

a)

snauwen

b)

voelen

c)

drang

d)

groot

11.

enterprise

a)

onderneming

b)

bedrijf

c)

reputatie

d)

ruimteschip

12.

mockery

a)

spot

b)

belachelijk maken

c)

bedreigen

d)

verdragen

13.

sedative

a)

spuitje

b)

pijnstiller

c)

genezen

d)

onder brengen

14.

liberation

a)

geloof

b)

rechtvaardigheid

c)

verdelen

d)

bevrijding

15.

inevitable

a)

onvermijdelijk

b)

zweven

c)

bewondering

d)

verrader

16.

mutual

a)

samen

b)

gemeenschappelijk

c)

accepteren

d)

mutatie

17.

properly

a)

netjes

b)

juist

c)

duur

d)

huis

18.

locust

a)

insect

b)

sprinkhaan

c)

dier

d)

soort

19.

to obey

a)

luisteren

b)

gewoonte

c)

gehoorzamen

d)

voorspellen

20.

quadruped

a)

viervoeter

b)

tweevoeter

c)

zespotige

d)

achtpotige

21.

pigeon

a)

vogel

b)

duif

c)

kraai

d)

haan

22.

to compete

a)

deelnemen aan

b)

strijden

c)

terugtrekken

d)

titelhouder

23.

to drag on

a)

voortslepen

b)

racen

c)

dragen

d)

tillen

24.

pressure

a)

top

b)

indrukken

c)

veel mensen

d)

druk

25.

to put up with

a)

in staat stellen

b)

bemoeien

c)

meedoen met

d)

accepteren

26.

prejudice

a)

oordelen

b)

vooroordeel

c)

justitie

d)

bemoeien

27.

rare

a)

vreemd

b)

moeilijk

c)

bepaald

d)

zeldzaam

28.

refugee

a)

buitenlands

b)

vluchteling

c)

vluchten

d)

vreemde

29.

to resent

a)

kwalijk nemen

b)

presenteren

c)

afscheid nemen

d)

recentelijk

30.

syringe

a)

spuit

b)

behandeling

c)

ziektekosten

d)

injecteren

31.

somersault

a)

koprol

b)

rekstok

c)

handstand

d)

salto

32.

to desert

a)

verlaten

b)

toetje

c)

woestijn

d)

in de steek laten

33.

to occur

a)

voorkomen

b)

ontstaan

c)

presteren

d)

ontbreken

34.

spectacles

a)

spectakel

b)

spannend

c)

beugel

d)

bril

35.

complaint

a)

klacht

b)

klagen

c)

resultaat

d)

prestatie

36.

crops

a)

graan

b)

oogst

c)

laarzen

d)

hooi

37.

fury

a)

commandant

b)

vacht

c)

woede

d)

plagen

38.

to persecute

a)

vernietigend

b)

onnauwkeurig

c)

achtervolgen

d)

vervolgen

39.

obvious

a)

duidelijk

b)

ongelooflijk

c)

ondernemend

d)

af en toe

40.

free of charge

a)

adverteren

b)

gratis

c)

betalen

d)

verandering