wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen H1 Wereldeconomie

Total questions: 24

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Speciaal ingerichte bedrijventerreinen met goede infrastructuur waar op export gerichte bedrijven zich vestigen.

a)

Handelskolonie

b)

Exportproductiezone (EPZ)

c)

BRICS-land

2.

Proces waarbij gebieden op aarde steeds meer met elkaar verbonden raken.

a)

Multipolaire wereldeconomie

b)

Global shift

c)

Globalisering

3.

Economisch systeem waarbij de productie in handen is van particuliere ondernemers.

a)

Vrijemarkteconomie

b)

Planeconomie

c)

Exportgerichte industrialisatie

4.

Periode tussen 1945 en 1975 waarin de vroegere koloniën onafhankelijk worden.

a)

Handelskolonialisme

b)

Dekolonisatie

c)

Industrieel kolonialisme

5.

Het voordeel dat bedrijven hebben door bij elkaar in de buurt te zitten.

a)

Vrijhandel

b)

Importheffing

c)

Agglomeratievoordeel

6.

De verschuiving op aarde van het economisch kerngebied van de randen van de Noordelijke Atlantische Oceaan naar de randen van de Stille Oceaan.

a)

Multipolaire wereldeconomie

b)

Outsourcing

c)

Global shift

d)

Globalisering

7.

De drie belangrijkste handelsblokken in de wereld. Noord-Amerika, de EU en Oost-Azië (China & Japan).

a)

Triade

b)

BRICS-landen

c)

Centrum

8.

Het vervangen van importgoederen door eigen productie.

a)

Importheffing

b)

Handelskolonialisme

c)

Importvervangende industrialisatie

9.

Investeringen van bedrijven uit andere landen in een land.

a)

Buitenlandse directe investeringen

b)

Protectionisme

c)

Exploiteren

10.

Bij de productie wordt veel kapitaal gebruikt (dure machines, gebouwen) in vergelijking met de kosten voor arbeid en grondstoffen.

a)

Productieketen

b)

Arbeidsintensief

c)

Kapitaalintensief

11.

Periode tussen 1945 en 1989 waarin de twee wereldmachten VS en Sovjet-Unie tegenover elkaar stonden.

a)

Handelskolonialisme

b)

Tweede Wereldoorlog

c)

Koude Oorlog

12.

Het omvormen van de economie.

a)

Liberalisering

b)

Herstructurering

c)

De-industrialisatie

13.

Landen in de (semi)periferie die een veel lager loonniveau kennen dan rijke landen.

a)

BRICS-landen

b)

MINT-landen

c)

Lagelonenlanden

14.

Inkomen dat je nodig hebt om te kunnen voorzien in de basisbehoeften.

a)

Gini-coëfficient

b)

Armoedegrens

c)

Globaliseringsindex

15.

Een economie waarbij op meerdere plaatsen in de wereld belangrijke economische kerngebieden zijn.

a)

Multipolaire wereldeconomie

b)

Centrum-periferiemodel

c)

Globalisering

16.

Gebied waar kolonisten zich blijvend vestigen en dat ze vaak opbouwen naar voorbeeld van het moederland.

a)

Exploitatiekolonie

b)

Kolonie

c)

Vestigingskolonie

17.

Schakels waaruit het productieproces van goederen bestaat, van grondstof tot eindproduct.

a)

Vrijhandel

b)

Productieketen

c)

Protectionisme

18.

Het door de overheid opheffen van belemmeringen voor een vrijemarkteconomie.

a)

Liberalisering

b)

Protectionisme

c)

Exportgerichte industrialisatie

19.

Landbouwgewassen bedoeld voor de wereldmarkt.

a)

Zelfvoorzienende landbouw

b)

Handelsgewassen

c)

Exportgerichte landbouw

20.

Land dat opgesloten ligt tussen andere landen en geen vrije toegang tot de zee heeft.

a)

Aziatische tijgers

b)

MINT-landen

c)

Landlocked country

21.

Een maat om sociale ongelijkheid te meten.

a)

Sociale ongelijkheidscoëfficiënt

b)

Richtingscoëfficiënt

c)

Gini-coëfficiënt

22.

Internationale organisatie die pleit voor vrijhandel.

a)

WTO

b)

WHO

c)

WAO

23.

Ontwikkeling waarbij in een regio de industriële activiteiten voor een belangrijk deel verdwijnen.

a)

Industrialisatie

b)

De-industrialisatie

c)

Herstructurering

24.

Klik op de optie die voor jou van toepassing is:

a)

Ik ken de toetsstof al goed

b)

Ik ken de toetsstof redelijk

c)

Ik ken nog bijna niets van de toetsstof