wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3TL Hoofdstuk 6

Total questions: 59

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Welke beloning hoort bij de productiefactor

Arbeid

a)

Winst

b)

Huur

c)

Rente

d)

Pacht

e)

Loon

2.

Welke beloning hoort bij de productiefactor

Natuur

a)

Winst

b)

Huur

c)

Rente

d)

Pacht

e)

Loon

3.

Welke beloning hoort bij de productiefactor

Ondernemerschap

a)

Winst

b)

Huur

c)

Rente

d)

Pacht

e)

Loon

4.

Welke beloning hoort bij de productiefactor

Kapitaal

a)

Winst

b)

Huur

c)

Rente

d)

Pacht

e)

Loon

5.

Waarde die ontstaat doordat een bedrijf het product bewerkt.

a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

6.

Jaarlijkse waardevermindering van kapitaalgoederen.

a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

7.
a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

8.

a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

9.

Productie die voornamelijk door mensen wordt gedaan.

a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

10.

Productie die voornamelijk door machines wordt gedaan.

a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

11.
a)

Arbeidsintensief

b)

Afschrijving

c)

Kapitaalintensief

d)

Toegevoegde waarde

12.

Welk bedrijf voegt de meeste waarde toe?

a)

Winkelier

b)

Oliemaatschappij

c)

Platenlabel

d)

DVD-Fabriek

e)

Chemische fabriek

13.

Welk bedrijf voegt de minste waarde toe?

a)

Winkelier

b)

Videoproductiebedrijf

c)

Platenlabel

d)

DVD-Fabriek

e)

Chemische fabriek

14.

Wat is de consumentenprijs van dit product?

a)

5,21

b)

3,75

c)

2,29

d)

7,50

e)

11,25

15.

Zonlicht en water.

a)

Arbeid

b)

Natuur

c)

Kapitaal

d)

Ondernemerschap

16.

De grond (zelf) waar een gebouw op gebouwd is.

a)

Arbeid

b)

Natuur

c)

Kapitaal

d)

Ondernemerschap

17.

Geestelijke inspanning die mensen leveren bij het produceren.

a)

Arbeid

b)

Natuur

c)

Kapitaal

d)

Ondernemerschap

18.

Gereedschap

a)

Arbeid

b)

Natuur

c)

Kapitaal

d)

Ondernemerschap

19.

Machines en voertuigen.

a)

Arbeid

b)

Natuur

c)

Kapitaal

d)

Ondernemerschap

20.

Een supermarkt.

a)

Concrete markt

b)

Abstracte markt

21.

Een markt op het dorpsplein.

a)

Concrete markt

b)

Abstracte markt

22.

De huizenmarkt.

a)

Concrete markt

b)

Abstracte markt

23.

De oliemarkt.

a)

Concrete markt

b)

Abstracte markt

24.

Afzet x inkoopprijs

a)

Inkoopwaarde

b)

Omzet

c)

Verkoopprijs

d)

Consumentenprijs

e)

Afschrijven

25.

Inkoopprijs + brutowinstmarge.

a)

Inkoopwaarde

b)

Omzet

c)

Verkoopprijs

d)

Consumentenprijs

e)

Afschrijven

26.

Afzet x verkoopprijs

a)

Inkoopwaarde

b)

Omzet

c)

Verkoopprijs

d)

Consumentenprijs

e)

Afschrijven

27.

Verkoopprijs + btw

a)

Inkoopwaarde

b)

Omzet

c)

Verkoopprijs

d)

Consumentenprijs

e)

Afschrijven

28.

(aanschafprijs - restwaarde) / de tijd.

a)

Inkoopwaarde

b)

Omzet

c)

Verkoopprijs

d)

Consumentenprijs

e)

Afschrijven

29.

Afzet van een bedrijf als percentage van de totale afzet van dat product.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

30.

Ander woord voor omzetbelasting

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

31.

Belasting die de overheid heft op de verkoop van goederen en diensten.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

32.

De hoeveelheid die een bedrijf verkoopt.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

33.

Hoeveelheid die één werknemer in een bepaalde tijd kan maken.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

34.

Jaarlijkse afschrijving van de bestelauto.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

35.

Loonkosten

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

36.

Hypotheek of huur voor een gebouw.

a)

Bedrijfskosten

b)

Arbeidsproductiviteit

c)

Afzet

d)

Btw

e)

Marktaandeel

37.

Wat heeft geen effect op de hoogte van de productiecapaciteit?

a)

Het aantal mensen dat in een bedrijf werkt.

b)

De vraag naar een product.

c)

Het aantal dat het bedrijf open is.

d)

De machines (kapitaal)goederen die worden gebruikt.

38.

Er is zoveel vraag naar producten, dat er een tekort is aan personeel en machines.

a)

Onderbezetting

b)

Overbezetting

39.

De voordelen die samenleving van productie heeft.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurreren

40.

Omzet - inkoopwaarde.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurreren

41.

Alle bedrijven die goederen of diensten aanbieden die dezelfde behoeften van consumenten voorzien.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurrenten

42.

Bedrijven houden bij hun productie zoveel mogelijk rekening met de gevolgen voor mens en milieu.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurrenten

43.

Mensen verdienen geld, doordat er een fabriek is.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurrenten

44.

De prijs die je als klant uiteindelijk in de winkel betaalt, dus de prijs inclusief btw.

a)

Maatschappelijke opbrengsten

b)

Brutowinst

c)

Consumentenprijs

d)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

e)

Concurrenten

45.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"De jaarlijkse waardevermindering van kapitaalgoederen."

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

46.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"(aanschafprijs - restwaarde) / aantal gebruiksjaren."

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

47.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"Wat overblijft nadat alle bedrijfskosten van de brutowinst zijn afgehaald."

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

48.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"Brutowinst - bedrijfskosten = ?"

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

49.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"uitgedrukt als percentage van de inkoopprijs."

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

50.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"De prijs die je als klant uiteindelijk in de winkel betaalt, dus de prijs inclusief btw."

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

51.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

:"Verkoopprijs + BTW =?"

a)

Afschrijving

b)

Consumentenprijs

c)

Brutowinstmarge

d)

Nettoresultaat

e)

Brutowinst

52.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

De maximale hoeveelheid producten die een bedrijf kan maken.

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

53.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

De productie per werknemer in een bepaalde tijd.

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

54.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

Als de productie vooral door menselijke arbeid tot stand komt.

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

55.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

Als bij de productie naar verhouding meer gebruik wordt gemaakt van kapitaalgoederen dan van arbeid.

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

56.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

Alle middelen die je nodig hebt om te kunnen produceren:

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

57.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.

a)

Arbeidsintensief

b)

Kapitaalintensief

c)

Productiefactoren

d)

Arbeidsproductiviteit

e)

Productiecapaciteit

58.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

De voordelen die de samenleving van productie heeft.

a)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)

b)

Maatschappelijke opbrengsten

c)

Maatschappelijke kosten.

59.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

Bedrijven houden zo veel mogelijk rekening met de gevolgen van hun productie voor mens en milieu.

a)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)

b)

Maatschappelijke opbrengsten

c)

Maatschappelijke kosten.