wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wonen in Nederland H2.1. (V5)

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

In welke jaren werd het rivierengebied in Nederland geteisterd door overstromingen?

a)

1992

b)

1993

c)

1994

d)

1995

2.

De figuur laat de..................van de rivieren de maas, de Rijn, de Eems en de Schelde zien.

a)

stroomgebieden

b)

stroomstelsels

c)

overstromingsgebieden

d)

waterscheidingen

3.

Welk begrip past het beste bij de foto?

a)

Stroomgebied

b)

Stroomstelsel

c)

Overstromingsgebied

d)

Waterscheiding

4.

Wat is de juiste volgorde van het lengteprofiel van een rivier? (van bron tot monding)

a)

Benedenloop-bovenloop-middenloop

b)

Benedenloop-middenloop-bovenloop

c)

bovenloop-benedenloop-middenloop

d)

bovenloop-middenloop-benedenloop

e)

middenloop-bovenloop-benedenloop

5.

Welk deel van de rivier is te zien in de foto?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

6.

Welk deel van de rivier is te zien in de foto?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

7.

-De hoogteligging van plaats A is 1500 meter.

-De hoogteligging van plaats B is 500 meter.

-De afstand in kilometers tussen plaats A en B is 1000 kilometer.


Bereken het verhang.

a)

0,5 m/ km

b)

1m/ km

c)

2m/ km

d)

10m/ km

8.

Dit verhang (1m/km) past het beste bij de:

a)

bovenloop

b)

middenloop

c)

benedenloop

9.

-De hoogteligging van plaats A is 300 meter .

-De hoogteligging van plaats B is 0 meter.

-De afstand in kilometers tussen plaats A en B is 1500 kilometer.


Bereken het verhang.

a)

0,2 m/ km

b)

0,9 m/ km

c)

2m/ km

d)

4,5m / km

10.

Dit verhang (0,2 m/km) past het beste bij de:

a)

bovenloop

b)

middenloop

c)

benedenloop

11.

Waar in de rivier worden de lichtste sedimenten(zand en klei) afgezet?

a)

bovenloop

b)

middenloop

c)

benedenloop

12.

Wat wordt er bedoeld met een 'toename van de vertragingstijd'?

a)

Het duurt korter voordat een piekafvoer in de bovenloop van de rivier in de benedenloop terecht komt.

b)

Het duurt langer voordat een piekafvoer in de bovenloop van de rivier in de benedenloop terecht komt.

c)

Het duurt even lang voordat een piekafvoer in de bovenloop van de rivier in de benedenloop terecht komt.

13.

De stroomsnelheid in een meander is het hoogst in de:

a)

binnenbocht

b)

buitenbocht

c)

gehele rivier

14.

De erosie in een meander vindt plaats in de:

a)

binnenbocht

b)

buitenbocht

c)

gehele rivier

15.

Een meander zorgt voor een ....................vertragingstijd

a)

gelijke

b)

kortere (kleinere)

c)

langere(hogere)

16.

Een kanaal zorgt voor een ....................vertragingstijd

a)

gelijke

b)

kortere (kleinere)

c)

langere(hogere)

17.

Een veengebied zorgt voor een ....................vertragingstijd

a)

gelijke

b)

kortere (kleinere)

c)

langere(hogere)

18.

Welk deel van het rivierengebied mag overstromen?

a)

rivierbedding

b)

uiterwaarden

c)

winterdijk

d)

zomerdijk

19.

Welk deel van het rivierengebied beschermt de achterliggende dorpen en steden?

a)

rivierbedding

b)

uiterwaarden

c)

winterdijk

d)

zomerdijk

20.

Waarom is het Julianakanaal naast de Maas aangelegd?

a)

Om de piekafvoer te verminderen

b)

Om de scheepvaart te bevorderen

c)

Om de vertragingstijd langer te maken

d)

Om de vertragingstijd korter te maken

21.

Wat is waar?

a)

Kribben hebben geen invloed op de stroomsnelheid in het midden van de rivier

b)

Kribben versnellen de stroomsnelheid in het midden van de rivier

c)

Kribben vertragen de stroomsnelheid in het midden van de rivier

22.

Waarom zijn stuwen en sluizen aangelegd in delen van een rivier?

a)

Om de waterstand te reguleren

b)

Om de waterstand te verlagen

c)

Om de waterstand te verhogen