wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

deel 4: de Tweede Wereldoorlog

Total questions: 46

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer begint de Tweede Wereldoorlog?

a)

In 1940, als Polen wordt aangevallen door Duitsland

b)

In 1939, als Polen wordt aangevallen door Duitsland

c)

In 1939, als de Sovjet-Unie wordt aangevallen door Duitsland

d)

In 1939, als Frankrijk wordt aangevallen door Duitsland

2.

Duitsland verovert in het begin van de Tweede Wereldoorlog in een enorm snel tempo een aantal landen.


Hoe noemen we dit?

(een Duits woord voor bliksemoorlog)

(a)  

3.

Duitsland valt ook Engeland aan met veel bombardementen op Engelse steden.


Hoe noemen we deze gebeurtenis, vanaf juli 1940?

a)

Onbeperkte duikbotenoorlog

b)

Slag om Engeland

c)

Operatie Barbarossa

d)

Operatie Churchill

4.

Wie is leider van Groot-Brittannië tijdens de Tweede Wereldoorlog?

a)

Roosevelt

b)

Truman

c)

Churchill

d)

Bush junior

5.

In 1941 valt Duitsland de Sovjet-Unie aan. Welke afspraak werd er toen verbroken?

a)

de afspraak om geen gifgas in te zetten

b)

het niet-aanvalsverdrag

c)

de afspraak om Polen in te nemen

6.

Met welke naam viel Duitsland in 1941 de Sovjet-Unie aan?

a)

Operatie Moskou

b)

Operatie Barbarossa

c)

Operatie Lenin

d)

Operatie Stalin

7.

Wie won de Slag om Stalingrad (1942-1943) uiteindelijk?

a)

Duitsland

b)

Sovjet-Unie

8.

Waarom is de Slag bij Stalingrad een belangrijk moment in de Tweede Wereldoorlog?

a)

Het is de eerste keer dat de Sovjet-Unie verliest.

b)

Het is een keerpunt in WOII: Duitsland wordt voor de eerste keer teruggedrongen en zal hierna steeds meer terrein verliezen.

9.

Wat gebeurt er tijdens D-Day?

a)

Oost-Europa wordt bevrijd door de Russen

b)

de geallieerden beginnen een invasie om West-Europa te bevrijden

10.

Wanneer begon D-Day?

a)

5 mei 1945

b)

6 juni 1944

c)

15 augustus 1945

d)

1 januari 1944

11.

Wanneer geeft Duitsland zich over?

a)

april 1945

b)

juni 1944

c)

mei 1945

d)

augustus 1945

12.

Wat gebeurt er tijdens Pearl Harbor?

a)

de VS vallen de Japanse vloot aan

b)

Japan valt de VS-vloot aan op de marinebasis Pearl Harbor

13.

Wanneer vond Pearl Harbor plaats?

a)

1940

b)

1941

c)

1942

d)

1943

14.

Wat gebeurt er na Pearl Harbor?

a)

De VS verklaren Japan de oorlog

b)

Japan geeft zich over

c)

De VS verklaren Duitsland de oorlog

15.

Wie was de president van de VS tijdens de Tweede Wereldoorlog?

a)

Roosevelt

b)

Churchill

c)

Truman

d)

Nixon

16.

Op welke twee Japanse steden gooiden de Amerikanen de atoombom?

a)

Hiroshima

b)

Tokio

c)

Yokohama

d)

Nagasaki

17.

Wanneer gooiden de Amerikanen de atoombommen op de twee Japanse steden?

a)

juni 1944

b)

augustus 1945

c)

mei 1945

d)

april 1945

18.

Wat was het gevolg van de atoombommen op de Japanse steden?

a)

Japan capituleert. De WOII is officieel voorbij.

b)

Japan neemt wraak en pleegt aanslagen in de VS

c)

Duitsland komt Japan helpen

19.

Welke landen vormen de as-mogendheden? Vink de juiste landen aan.

a)

Duitsland

b)

Frankrijk

c)

Italië

d)

Japan

20.

Vanaf welk jaar doet de Sovjet-Unie mee aan de Tweede Wereldoorlog?

a)

1940

b)

1941

c)

1942

d)

1944

21.

De Tweede Wereldoorlog is een totale oorlog. Wat bedoelen we daarmee?

a)

Dat veel landen uit de wereld betrokken waren bij deze oorlog.

b)

Dat de hele samenleving betrokken was bij de oorlog

22.

Vink de juiste antwoorden aan welke voorbeelden horen bij een totale oorlog (meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

De economie draait volledig voor de oorlog (voor munitie, uniformen, etc.)

b)

Tientallen miljoenen mannen moeten verplicht in dienst

c)

Vrouwen helpen thuis in de wapenindustrie

d)

Steden met onschuldige burgers worden gebombardeerd.

23.

Hoeveel doden vallen er in WOII?

a)

10 miljoen

b)

50 miljoen; vijf keer zo veel als in WOI

c)

50 miljoen; net zo veel als in WOI

24.

Waarom vallen er in de Tweede Wereldoorlog meer burgerslachtoffers dan in de Eerste Wereldoorlog?

a)

De Eerste Wereldoorlog duurde korter.

b)

De Eerste Wereldoorlog was geen totale oorlog.

c)

In de Tweede Wereldoorlog worden veel steden gebombardeerd.

25.

Wanneer wordt Nederland binnengevallen door Duitsland?

a)

10 mei 1939

b)

10 mei 1940

c)

1 september 1939

d)

juli 1940

26.

Bij welke gebeurtenis gaat Nederland zich uiteindelijk overgeven?

a)

Nadat Rotterdam is gebombardeerd

b)

Nadat de slag om de Grebbeberg verloren gaat

c)

Nadat de regering is gevlucht naar Engeland

27.

De ministers en koningin Wilhelmina vluchten tijdens WOII naar Londen (Engeland). Hoe heet dit?

a)

De regering als onderduikers

b)

De regering in ballingschap

c)

De regering als vluchtelingen

28.

Wat is een beste beschrijving van gelijkschakeling in Nederland?

a)

De meeste burgemeesters bleven op hun plek zitten.

b)

In allerlei Nederlandse organisaties komen nazi's aan de macht om de nazi-ideologie te verspreiden

c)

De regering in Londen mag blijven regeren

29.

Wat zijn razzia's?

a)

Als mensen (met name Joden) met geweld worden opgepakt door de Duitsers

b)

Als Joden worden gedeporteerd naar een vernietigingskamp

c)

Als Joodse winkels worden vernield

30.

Naar welk doorgangskamp gingen de meeste Nederlandse Joden?

a)

Doorgangskamp Westerbork

b)

Auschwitz

c)

Sobibór

d)

Dachau

31.

In Nederland moet in 1940 elke Jood geregistreerd worden. Hoe gaat dat?

a)

Joden krijgen een Jodenster

b)

Joden krijgen een persoonsbewijs met daarop een grote J gestempeld

c)

Joden moeten een nieuwe ID-kaart aanvragen

32.

Hoe heet het 15 jarig meisje dat in Amsterdam met haar familie onderdook? (voor- en achternaam)

(a)  

33.

Waarom gaan in februari 1941 arbeiders in Amsterdam staken?

a)

Ze willen meer loon

b)

Ze staken uit protest tegen de razzia's en geweld van de SS tegen de Joden

c)

Ze krijgen te lang geen loon meer

34.

Hoe noemen we de staking in 1941 in Amsterdam?

a)

De Januaristaking

b)

De Februaristaking

c)

De Aprilstaking

d)

De Meistaking

35.

Wat moeten in 1943 veel Nederlandse mannen verplicht doen?

a)

Zich registreren

b)

Zich melden voor dwangarbeid in Duitsland

c)

Zich melden voor het Nederlandse leger

36.

Welke mannen moesten zich melden voor dwangarbeid?

a)

Alle mannen vanaf 18 jaar

b)

Alle Nederlanders die in mei 1940 nog in het Nederlands leger zaten

c)

Iedere man die fysiek goed gekeurd werd

37.

Jan meldt zich vrijwillig aan bij de NSB en later bij de SS omdat hij de nazi's wil helpen.


Welk begrip past het beste bij Jan?

a)

Verzet

b)

Collaborateur

c)

Aanpassing

38.

Femke maakt in het geheim valse persoonsbewijzen zodat ze Joodse mensen bij haar thuis kan laten onderduiken.


Welk begrip past het beste bij Femke?

a)

Verzet

b)

Collaborateur

c)

Aanpassing

39.

In 1943 moesten studenten in Nederland van de Duitse bezetter een verklaring ondertekenen. Daarmee beloofden zij niets te zullen ondernemen tegen de Duitse bezetter. Sommige studenten tekenden deze verklaring om zo niet op te vallen en hun studie af te kunnen ronden.


Welk begrip past het beste bij deze studenten?

a)

Verzet

b)

Collaborateur

c)

Aanpassing

40.

Wat is het doel van operatie Marken Garden?

a)

Arnhem bevrijden

b)

Duitsland bevrijden

c)

Bruggen over de grote rivieren veroveren om daarna Duitsland binnen te vallen

41.

Wanneer vindt Operatie Marken Garden plaats?

a)

juni 1944

b)

september 1944

c)

mei 1945

d)

augustus 1945

42.

Tienduizenden spoorwegmensen duiken onder, locomotieven en spoorbruggen worden vernield.


Welk begrip hoort hierbij?

a)

Februaristaking

b)

April-Mei Staking

c)

Spoorwegstaking

43.

De Slag om Arnhem ....

a)

Slaagt; de geallieerden winnen

b)

Mislukt; de Duitsers houden stand

44.

In de wintermaanden van 1944-1945 laten de Duitsers bewust geen voedsel en goederen naar west-Nederland komen. Meer dan 20.000 Nederlanders gaan dood van de honger.


Hoe heet deze gebeurtenis?

(a)  

45.

Wat herdenken we elk jaar op 4 mei?

a)

Dag van de Vrijheid (of Bevrijdingsdag)

b)

Dodenherdenking

46.

Wat herdenken we elk jaar op 5 mei?

a)

Dag van de Vrijheid (of Bevrijdingsdag)

b)

Dodenherdenking