wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VELM Oefentoets Ecologie

Total questions: 30

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Op een open plek waar bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgenroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.


Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:


Arnold: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."

Marije: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."


Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?

a)

van geen van beide

b)

alleen van Arnold

c)

alleen van Marije

d)

van Arnold én Marije

2.

Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.


Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?

a)

Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.

b)

Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.

c)

Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.

3.

Bilharzia is een ziekte die in (sub)tropische landen voorkomt. De ziekte wordt veroorzaakt door Schistosoma-wormpjes. Deze wormpjes hebben een levenscyclus met als gastheren de mens en bepaalde zoetwaterslakken. De infectie vindt plaats via het water van rivieren en kanalen. Door aanleg van irrigatiekanalen voor onder andere rijstvelden breidt de ziekte zich uit.


In het lichaam van de mens leggen de Schistosoma-wormpjes per dag duizenden eitjes, die met de urine en de ontlasting in het water kunnen terechtkomen. Wanneer deze eitjes in het water terechtkomen, ontstaan daaruit larven die zoetwaterslakken binnendringen. In de slak gaat deze larve over in een ander larvaal stadium. In dit stadium verlaat de larve het lichaam van de slak en dringt via de huid het lichaam van een mens binnen. Daar groeit hij weer uit tot een volwassen worm.


Hoe noemen we de relatie tussen Schistosoma en de mens?

a)

Competitie

b)

Concurrentie

c)

Predatie

d)

Parasitisme - een vorm van symbiose

4.

Het Victoriameer, dat ruim een miljoen inwoners van Kenya, Tanzania en Oeganda van vis voorziet, is stervende.

Een deel van de bodem van het ondiepe meer is bedekt met een laag rottende algen. Oorzaak daarvan is onder andere de ongelimiteerde lozing van mineralen (fosfaten en nitraten) in dit meer, waardoor een keten van gebeurtenissen op gang is gebracht.


De algen die volgens alinea 2 een deel van de bodem van het meer bedekken, hebben zich daarvóór zeer sterk vermeerderd.


Waardoor vermeerderden de algen zich aanvankelijk zo sterk na de lozing van nitraten en fosfaten?

a)

doordat de fosfaten en nitraten giftig waren voor algen-etende organismen

b)

doordat fosfaten en nitraten vóór de lozing beperkende factoren waren voor de algen

c)

doordat de tolerantiegrenzen van de algen veranderden door de fosfaten en nitraten

5.

Bij het afsluiten van de Zuiderzee onstond in 1932 het IJsselmeer. Bij de overgang van zout naar zoet water verdween een aantal vissoorten uit het IJselmeer. De Haring verdween en de Driedoornige Stekelbaars bleef. In de afbeelding zijn de tolerantiecurven van een aantal vissoorten weergegeven.


Welke tolerantiecurve past bij de soort Driedoornige Stekelbaars?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

6.

Al sinds de oudheid hebben mensen huisdieren, zoals honden. Volgens sommige onderzoekers kwamen er bepaalde genen bij wolven voor, waardoor ze minder bang waren voor mensen. Zij voedden zich met voedselrestjes rond menselijke nederzettingen. De mensen profiteerden van de waakzaamheid van de wolven. Uiteindelijk heeft deze relatie waarschijnlijk tot de huishond geleid.


Welke vorm van symbiose is van toepassing op de relatie van deze mensen en de wolven?

a)

commensalisme

b)

mutualisme

c)

parasitisme

d)

prooi-predator relatie

7.

Successie is het ecologische proces waarbij een ecosysteem verandert.


Wanneer heeft een vegetatie een climaxstadium bereikt?

a)

Als de abiotische omstandigheden overal in de vegetatie gelijk zijn

b)

Als er veel variatie is in de abiotische omstandigheden in de vegetatie

c)

Als het aantal soorten in de vegetatie nauwelijks meer wijzigt

d)

Als het aantal soorten in de vegetatie explosief toeneemt

8.

Wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende dieren in een gebied.

b)

Het aantal verschillende soorten in een gebied.

c)

Het aantal verschillende planten in een gebied.

d)

Het aantal verschillende abiotische factoren in een gebied

9.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
10.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

11.

De maximale populatiegrootte waarvoor in een gebied voldoende voedsel, schuil- en nestplaatsen zijn, noemen we …………………………………….. van het gebied.

a)

de draagkracht

b)

de populatiedichtheid

c)

het tolerantiegebied

d)

de optimumwaarde

12.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus soort A behoort tot de prooisoort

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus soort A behoort tot de predatorsoort.

13.

Planten en algen vervullen in een ecosysteem de rol van ……………………...……...

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

14.

Welke factor is dichtheidsonafhankelijk?

a)

Predatie

b)

Ziektes

c)

Droogte

d)

Concurrentie

15.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven.

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

16.

Tropische regenwouden en koraalriffen zijn voorbeelden van ...

a)

Climax ecosystemen

b)

Pioniers ecosystemen

c)

Successie

d)

Vegetatie

17.

Wat is GEEN reden in de piramide van biomassa voor het kleiner worden van iedere volgende schakel?

a)

Afgestorven delen

b)

Predatie

c)

Dissimilatie (verbranding)

d)

Uitwerpselen

18.

Hoe noem je alle abiotische factoren samen?

a)

ecosysteem

b)

bioom

c)

biotoop

d)

biosfeer

19.

Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?

a)

ecosysteem

b)

bioom

c)

biotoop

d)

biosfeer

20.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
21.

Wat gebeurt er met de biomassa bij elk hoger trofisch niveau?

a)

Neemt af

b)

Neemt toe

c)

Blijft gelijk

d)

Neemt soms af, neemt soms toe

22.

Welke pyramide heeft altijd een pyramidevorm?

a)

pyramide van aantallen

b)

pyramide van biomassa

23.

Welke van onderstaande factoren is niet abiotisch?

a)

water

b)

licht

c)

voedsel

d)

temperatuur

24.

Herbivoren zijn altijd:

a)

consumenten van tweede orde of hoger

b)

producenten

c)

consumenten van 1e orde

d)

reducenten

25.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan de organisatieniveau's op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

26.

In een sloot komen de volgende organismen voor:

1 snoek

2 algen

3 watervlo

4 baars

5 stekelbaars

Hoe ziet de juiste voedselketen er uit?

a)

3 --> 2 --> 4 --> 5 --> 1

b)

2 --> 3 --> 5 --> 4 --> 1

c)

2 --> 5 --> 3 --> 4 --> 1

d)

1 --> 4 --> 5 --> 3 --> 2

27.

Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

28.

Welk begrip wordt er omschreven?


'Alle populaties die in een ecosysteem leven.'

a)

Individu

b)

Populatie

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteem

29.

Tot welke categorie behoren de afvaleters?

a)

reducenten

b)

producenten

c)

consumenten

d)

predatoren

30.

De nijlgans (Alopochen aegyptiaca) behoort niet tot de ganzen maar tot de eenden. De nijlgans is in Nederland een zeer algemene soort die in de buurt van rivieren, meren of moerasgebieden leeft. Oorspronkelijk kwam de nijlgans alleen in enkele delen van Afrika, Jordanië en Israël voor. In de zestiger jaren van de vorige eeuw zijn enkele nijlganzen, die in Nederland als siervogel gehouden werden, ontsnapt en verwilderd. Sindsdien weten nijlganzen zich goed te handhaven en heeft de soort zich sterk uitgebreid.


Hoe heet een soort die zich in een bepaald gebied vestigt waar deze oorspronkelijk niet voorkwam?

(a)