wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica Nederlands blok 1 t/m 4

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Zoek de persoonsvorm in de volgende zin:

De jongen zit in de klas.

a)

de jongen

b)

zit

c)

in

d)

de klas

2.

In welke vorm kan een werkwoord NIET voorkomen?

a)

persoonsvorm

b)

hele werkwoord (infinitief)

c)

onderwerp

d)

voltooid deelwoord

3.

Zoek het voltooid deelwoord:

Wie heeft deze vraag gemaakt?

a)

wie

b)

heeft

c)

deze vraag

d)

gemaakt

4.

Welke manieren heb je om een persoonsvorm te vinden?

Let op: meerdere antwoorden zijn goed.

a)

De zin vragend maken

b)

De zin in het enkelvoud/meervoud zetten

c)

De zin in een andere tijd zetten

d)

De volgorde van de zin veranderen.

5.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit:

a)

alle personen in een zin

b)

alle onderwerpen in een zin

c)

alle werkwoorden in een zin

d)

alle vraagwoorden in een zin

6.

Het onderwerp in een zin...

a)

vertelt wie of wat iets doet.

b)

geeft aan in welke tijd iets gebeurt.

c)

vertelt hoeveel werkwoorden er in een zin staan

d)

vertelt waar iets gebeurt.

7.

Noteer het werkwoordelijk gezegde uit de volgende zin:

Wanneer ga jij de woorden opschrijven?

a)

Wanneer ga

b)

Wanneer ga opschrijven

c)

ga jij opschrijven

d)

ga opschrijven

8.

Zoek het onderwerp in de volgende zin:

In het zwembad zwemmen vier mensen.

a)

In het zwembad

b)

zwemmen

c)

vier mensen

d)

mensen

9.

Een zelfstandig naamwoord is...

a)

een mens, dier, plant of ding

b)

een werkwoord

c)

een ander woord voor een lidwoord

d)

een vraag in de zin

10.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in de volgende zin:

De koffiebeker werd door Saskia meegenomen.

a)

Saskia

b)

koffiebeker

c)

Saskia, koffiebeker

d)

Saskia, koffiebeker, meegenomen

11.

Welke lidwoorden zijn er?

a)

de

b)

de, het

c)

de, het, een

12.

Een bijvoeglijk naamwoord..

a)

zegt iets over een zelfstandig naamwoord

b)

staat altijd in elke zin

c)

vertelt in welke tijd iets gebeurt

d)

vertelt waar iets gebeurt

13.

Zoek het bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin:

De aardige vrouw ging het lokaal binnen.

a)

De

b)

aardige

c)

lokaal

d)

binnen

14.

Zoek het lijdend voorwerp in de volgende zin:

Iemand gaf zijn buurman een hand.

a)

iemand

b)

gaf

c)

zijn buurman

d)

een hand

15.

Zoek de voorzetsels (denk aan 'de kast'!) in de volgende zin:

Weet jij wie er op zijn stoel zit?

a)

Weet

b)

wie

c)

op

d)

zijn