wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zenuwstelsel en zenuwcellen

Total questions: 20

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

De gehoorzintuigcellen vangen de teruggekaatste geluiden op en zetten ze om in impulsen die naar de hersenen worden geleid.​

Waar in de hersenen worden deze impulsen verwerkt tot een bewuste waarneming van geluid?​

a)

In de grote hersenen

b)

In de kleine hersenen

c)

In de hersenstam

2.

In de wand van de rechter hartboezem bevindt zich de zogenaamde sinusknoop. Deze sinusknoop geeft impulsen af die door uitlopers van zenuwcellen over de hartspier geleid worden. Door deze impulsen trekt het hart samen: eerst de boezems, dan de kamers. Het aantal malen dat het hart per minuut samentrekt wordt het hartritme genoemd.​

Worden de impulsen uit de sinusknoop over het hart geleid door uitlopers van bewegingszenuwcellen, van gevoelszenuwcellen of van schakelcellen?

a)

Door uitlopers van gevoelszenuwcellen

b)

Door uitlopers van bewegingszenuwcellen

c)

Door uitlopers van schakelcellen

3.

Een vleermuis gebruikt echolocatie voor het opsporen van vliegende prooien zoals insecten. Daarbij maakt de vleermuis geluiden die weerkaatst worden door de omgeving. Door het opvangen van de weerkaatste geluiden bepaalt het dier waar de insecten zich bevinden. De vleermuis vliegt er dan op af om ze op te eten.​

De vleermuis gebruikt spieren om de geluiden te maken. Deze spieren laten de stembanden bewegen en worden snelle spieren genoemd omdat ze wel 160 keer per seconde kunnen samentrekken.​

Welke zenuwcellen geven impulsen aan de snelle spieren?

a)

Schakelcellen

b)

Gevoelszenuwcellen

c)

Bewegingszenuwcellen

4.

De impulsen vanuit de smaakzintuigcellen worden naar een deel van het centrale zenuwstelsel geleid en daar verwerkt.​

Zijn daarbij gevoelszenuwcellen betrokken? En zijn daarbij schakelcellen betrokken?

a)

Alleen gevoelszenuwcellen

b)

Alleen schakelcellen

c)

Alleen bewegingszenuwcellen

d)

Zowel gevoelszenuwcellen als schakelcellen

5.

De letters P, Q en R geven zenuwcellen aan.​

Welke letter in de afbeelding geeft een schakelcel aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

6.

Welke letter geeft de kleine hersenen aan?

a)

O

b)

R

c)

S

d)

T

7.
Uit welke delen bestaat ons zenuwstelsel?
a)
Zenuwen en hersenen
b)
Centraal zenuwstelsel
c)
Zenuwen en centraal zenuwstelsel
d)
Zenuwen en zenuwcellen
8.
Waar zitten de schakelcellen?
a)
In het centraal zenuwstelsel
b)
Alleen in het ruggenmerg
c)
Alleen in de hersenen
d)
Overal in ons lichaam
9.

Wat is de naam van onderdeel en 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

10.

Hoe noemen we een elektrisch signaaltje dat van een zintuig af komt?

a)

Prikkel

b)

Neuron

c)

Impuls

d)

Bananen

11.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

12.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

13.

Schakelcellen bevinden zich zowel in het centraal zenuwstelsel als in het perifeer zenuwstelsel.

a)

Dit is waar

b)

Dit is niet waar

14.

Welk type zenuwcel heeft zijn cellichamen buiten het centraal zenuwstelsel?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Schakelcel

c)

Bewegingszenuwcel

15.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

16.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
17.
De hersenen zijn onder te verdelen in:
a)
grote hersenen  en kleine hersenen tussen tussenhersenen hersenstam
b)
grote hersenen  en tussen hersenen kleine hersenen ruggenmer
c)
grote hersenen, kleine hersenen en  hersenzenuwen
d)
Hersenstam, kleine hersenen en grote hersenen
18.

Wat wordt er aangegeven met 2

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Uitloper

d)

isolerende laag

19.

Wat is de taak van:

schakel(zenuw)cellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

20.

Welk type zenuwcel geleid impulsen naar het centrale zenuwstelsel?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelcel

c)

Gevoelszenuwcel