wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oudheid en middeleeuwen

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer voltooide Hendrik van Veldeke met zijn ridderverhaal over Eneas?

a)

1186

b)

1160

c)

1473

d)

1202

2.

Welk persoon is erg belangrijk voor van Maerlant, waar haalt hij zijn kennis vandaan?

a)

Aristoteles

b)

God

c)

Socrates

d)

Eneas

3.

Wat lazen de meeste geleerden en baseerden ze veel op?

a)

bijbel

b)

Griekse mythologie

c)

tora

d)

koran

4.

Waarmee vergeleek Jacob van Maerlant de wereld?

a)

ei

b)

appel

c)

platte schijf

d)

een glas water

5.

Wat is geen kenmerk van Hendrik van Veldeke?

a)

oudste Nederlandse schrijver

b)

gezongen door troubadours

c)

populair bij de adel

d)

leraar Latijn

6.

Wat was wetenschap vooral in de middeleeuwen?

a)

hetzelfde als nu verslagen schrijven en veel experimenteren

b)

veel verslagen schrijven maar niet experimenteren

c)

het verzamelen en verwerken van de wijsheid van boeken

d)

alleen experimenteren antwoord

7.

Wanneer ging je in de middeleeuwen mee op kruistocht?

a)

als je volwassen was

b)

als je tussen de 12 en 50 jaar was

c)

als je een zwaard kon hanteren

d)

als je kon paardrijden

8.

Wie was de verbannen ridder in het bekendste verhaal over Karel de Grote?

a)

Karel de grote

b)

Perceval

c)

Elegast

d)

Arthur

9.

Waar vechten ridders voor?

a)

hun heer

b)

hun dame

c)

allebei

d)

geen van beide

10.

Wie werd er gestraft voor haar nieuwsgierigheid?

a)

Beatrijs

b)

Mariken

c)

Reinaert

d)

Eneas

11.

Wie schreef waarschijnlijk het verhaal Van den Vos Reinaerde?

a)

Willem van de Madoc

b)

Dirc Potter

c)

Henrik van Veldeke

d)

Jan van Ruusbroec

12.

Welke schrijver verkondigde dat het leven doelloos en meedogenloos was?

a)

Claes Heynenzoon

b)

Dirc Potter

c)

Willem van de Madoc

d)

Jacob van Maerlant

13.

Wat is een occulte tekst?

a)

een mystiek verhaal

b)

een heksengedicht

c)

een liefdesgedicht

d)

een droomverhaal

14.

Uit welk verhaal werd een scène lange tijd uit de schoolboeken geschrapt omdat het te ondeugend was?

a)

Mariken van Nieumeghen

b)

Reis van Sint Brandaan

c)

Beatrijs

d)

Van den Vos Reynaerde

15.

Wat deed men in de Blauwe Schuit?

a)

feesten

b)

vrijen

c)

bidden

d)

schrijven

16.

Wat zijn rederijkers?

a)

schrijvende burgers

b)

schrijvende monniken

c)

adel aan het hof

d)

rondtrekkende dichters

17.

Wat is de boodschap van Mollengijs?

a)

memento mori

b)

bedenk dat gij moet sterven

c)

pluk de dag

d)

carpe diem

18.

Waarmee kan je de waarde van een boek in de dertiende eeuw nu vergelijken?

a)

een eenkamerappartement

b)

een huis met een zwembad

c)

een tuinhuisje

d)

een paleis

19.

Waarover gaat het Egidiuslied?

a)

liefde

b)

vriendschap

c)

liefdesverdriet

d)

haat

20.

Wanneer verdrong het papier met de komst van de papiermolen het perkament?

a)

rond 1400 in de zuidelijke Nederlanden

b)

rond 1200 in de oostelijke provincies

c)

rond 1100 in de noordelijke Nederlanden

d)

rond 1300 in het westen

21.

In welke taal schreef Henrik van Veldeke naast het middelnederlands?

a)

Frans

b)

Duits

c)

Engels

d)

Italiaans

22.

Waar werd de zin 'Hebban olla vogola (...)' door de monnik op papier gezet?

a)

Noord-Holland

b)

Engeland

c)

Frankrijk

d)

België

23.

Tableaux Vivant =

a)

levende beeldhouwwerken

b)

levend stratego

c)

grappige scènes uitbeelden

d)

serieuze scènes uitbeelden

24.

Exempelen waren voorbeeldverhaaltjes voor...

a)

de adel

b)

de geestelijken

c)

de ridders

d)

de gewone burgers

25.

Zwanenzang =

a)

laatste werk

b)

eerste werk

c)

onafgemaakt werk

d)

dierenfabel

26.

De reisverhalen van Jan van Mandeville waren volledig waarheidsgetrouw.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Daya Dierkens stichtte het klooster in Dieperveen. Na een tijd in Duitsland kwam ze weer terug maar daar wilden ze haar toen niet meer. Waarom niet?

a)

ze was te soft

b)

ze was te streng

c)

ze schreef onwaarheden over de kerk

d)

ze sprak hard over de paus

28.

Heraut =

a)

dienstknaapje

b)

spreker van officiële aankondigingen

c)

hofnar

d)

beschermheer

29.

orakel =

a)

plek om te bidden

b)

waarzegger

c)

plek om vragen te stellen aan de goden

d)

glazen bol

30.

amfitheater =

a)

openluchttheater

b)

theater met ronde vorm

c)

theater uitsluitend voor gevechten

d)

theater uitsluitend voor toneelstukken

31.

Toen de Romeinen de Griekse gebieden overnamen kregen de goden nieuwe namen.

a)

waar

b)

niet waar

32.

Volgens de Grieks/Romeinse mythologie ging je na je dood naar de onderwereld, een duister schimmenrijk, waar de god Hades heerste.

a)

waar

b)

niet waar

33.

epiek =

a)

dichtkunst

b)

verhalende kunst

c)

liedkunst

34.

komedies uit de oudheid zijn te vergelijken met het huidige cabaret.

a)

waar

b)

niet waar

35.

Een tragedie moest aan strikte regels voldoen.

a)

waar

b)

niet waar

36.

twistappel =

a)

een appel waarover geruzied wordt

b)

de appel waar Eva in beet

c)

een appel die zoet lijkt maar zuur wordt

d)

de appel die zorgt voor de plottwist

37.

ark = (letterlijk)

a)

boot

b)

kist

c)

kast

d)

schip

38.

ichthus/ichtus =

a)

vlees

b)

vis

c)

stichten

d)

scheppen

39.

Job is een personage uit de bijbel dat gestraft wordt omdat hij niet deed wat god van hem vroeg.

a)

waar

b)

niet waar

40.

In de bijbel vertelt de farao aan Jozef over een droom met zeven vette en zeven magere schapen.

a)

waar

b)

niet waar