Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2A Lezen H5

Total questions: 34

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan
a)
Ja dat is waar
b)
Nee dat is niet waar
2.
Omdat ik kapper wil worden, volg ik deze opleiding.
a)
'Omdat' kondigt een reden aan
b)
'Omdat' kondigt een voorwaarde aan
3.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
4.
Signaalwoorden geven het verband tussen woorden, zinnen of alinea's aan.
a)
Dit is juist.
b)
Dit is onjuist.
5.
Welk signaalwoord geeft een opsomming aan?
a)
ook
b)
maar
c)
eerst
d)
doordat
6.
Welk signaalwoord geeft aan dat er een reden volgt?
a)
omdat
b)
ook
c)
vroeger
d)
wanneer
7.

Welk verband zie je tussen deze zinnen?

Een slechte nacht zorgt voor een chagrijnig gemoed. Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Uitspraak-voorbeeld

b)

Tegenstelling

c)

Uitspraak-reden

d)

Opsomming

8.

Welk verband zie je tussen deze zinnen. Van te veel uv-straling kun je kanker krijgen. Daarom moet je je goed insmeren.

a)

Uitspraak-voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Uitspraak-reden

9.

Welk tekstverband zie je tussen de delen van deze zin? Chantal leert hard voor haar toets, omdat ze een hoog cijfer wil halen.

a)

uitspraak-toelichting

b)

uitspraak-voorbeeld

c)

uitspraak-reden

d)

oorzaak-gevolg

10.

Ten eerste wil ik dat je goed luistert, daarnaast wil ik dat je stopt met vloeken. Van welk tekstverband is hier sprake?

a)

Opsomming

b)

voorbeeld

c)

Reden

d)

tegenstelling

11.

Ik ga naar huis, want ik heb het hier niet naar mijn zin. Van welk tekstverband is hier sprake?

a)

Doel-middel

b)

Opsomming

c)

Reden

d)

Oorzaak

12.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

13.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

14.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'toch'?

a)

Tegenstellend

b)

Voorwaardelijk

c)

Opsommend

d)

Concluderend

15.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

16.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Redengevend

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Toelichtend

17.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

18.

Het tekstdoel van een reclametekst is...

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

activeren

d)

amuseren

19.

Het tekstdoel van een folder/flyer is...

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

activeren/ tot handelen aansporen

d)

leren

20.
Welke combinatie is niet goed?
a)
informatieve tekst: nieuwsbericht
b)
amuserende tekst: roman
c)
betogende tekst: advertentie
d)
activerende tekst: uitnodiging
21.

Als je verkennend leest dan ...

a)

lees je alsof je voor een toets leert.

b)

bekijk je de tekst en lees die niet echt.

c)

heb je een vraag en wil je snel het antwoord weten.

22.

Hoeveel manieren heb je om een tekst te lezen?

a)

3 namelijk: zoekend, lerend en verkennend lezen

b)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, begrijpend en verkennend lezen

c)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, studerend en verkennend lezen

d)

3 namelijk zoekend, nauwkeurig en verkennend lezen

23.

Wat doe je als je de tekst globaal leest?

a)

Je leest de hele tekst

b)

Je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea's

24.

Wanneer lees je zoekend?

a)

Als je een samenvatting maakt

b)

Als je iets snel wilt opzoeken

25.

"Nagaan of alle informatie in de tekst klopt en volledig is"

a)

Zoekend lezen

b)

Grondig lezen

c)

Kritisch lezen

d)

Globaal lezen

26.

Het tekstdoel is "amuseren".

Wat is de tekstvorm?

a)

Gedicht

b)

Schoolboektekst

c)

Reclametekst

d)

Liefdesbrief

27.

Waar staat de bron van een tekst?

a)

Bovenaan naast de titel

b)

Onderaan de tekst

c)

Dat staat nooit bij de tekst

28.

In het slot rondt de schrijver de tekst af door...

(er zijn meerdere antwoorden goed)

a)

Een samenvatting te geven

b)

Een advies te geven

c)

Een toekomstverwachting uit te spreken

d)

Zijn eigen mening te geven

29.

In de inleiding van een tekst kan de schrijver

a)

je interesse wekken

b)

een gebeurtenis beschrijven

c)

een mening over het onderwerp geven

d)

een vraag over het onderwerp stellen

30.

Het slot van een tekst

a)

heeft geen speciale functie

b)

is meestal onderdeel van de kern

c)

kan worden gebruikt om de belangrijkste informatie samen te vatten

d)

kan gemakkelijk omgewisseld worden met de inleiding

31.

Als je in de tekst een woord tegenkomt dat je niet kent

a)

pak je direct een woordenboek

b)

begrijp je gelijk de hele tekst niet

c)

kun je dat woord soms begrijpen als je een deel van het woord herkent

d)

kun je de vragen over de tekst niet beantwoorden

32.

Soms staat er bij een moeilijk woord

a)

een voorbeeld in de tekst waardoor je het woord toch kunt begrijpen

b)

een synoniem in de tekst

c)

de betekenis van dat woord op de kop gedrukt achterop je examenblad

d)

een omschrijving in de tekst

33.

Wat lees je vaak in het slot van een tekst? Vink aan:

a)

Samenvatting

b)

Een voorbeeld of anekdote

c)

Iets om het verhaal rond te maken

d)

Introductie van een deelonderwerp

e)

Conclusie

34.

Alle teksten hebben een slot:

a)

Ja natuurlijk!

b)

Nee, een nieuwsbericht bijv. vaak niet.