wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal thema 8 les 1 t/m 7 groep 6

Total questions: 48

Worksheet time: 2hrs 36mins

Name
Class
Date
1.

Een bod doen

a)

Het bedrag noemen waarvoor je iets wilt kopen.

b)

Geld geven aan iemand.

c)

Geld meenemen.

2.

Sloom

a)

Slap en zonder energie

b)

snel en sterk

c)

Iets om mee te schrijven.

3.

Welk woord hoort hierbij?

Daan is vaak druk bezig en geeft in de klas meteen antwoord als de juf iets vraagt.

a)

pittig

b)

ijzig

c)

sloom

4.

Welk woord hoort hierbij?

Joep zit meestal onderuitgezakt op zijn stoel en doet zo weinig mogelijk.

a)

gniffelen

b)

sloom

c)

ijzig

5.

Welk woord hoort hierbij?

Chantal zit stiekem te grinniken.

a)

gniffelen

b)

ijzig

c)

opwelling

6.

Welk woord hoort hierbij?

Mevrouw de Groot kan je echt met een heel kille blik aankijken.

a)

ijzig

b)

opwelling

c)

sloom

7.

Welk woord hoort hierbij?

Jos liep in de stad en besloot toen opeens om een nieuwe telefoon te kopen.

a)

Opwelling

b)

ijzig

c)

sloom

8.

klik de zelfstandig naamwoorden aan.

In Anna's spaarpot zitten al veertig munten.

a)

spaarpot - munten

b)

zitten - munten

c)

Anna's - munten

9.

klik de zelfstandig naamwoorden aan.

Elke zondag om tien uur komen er twee bij.

a)

zondag - uur

b)

uur - twee

c)

twee - elke

10.

Is dat wel een .. idee? (goed)

(a)  

11.

Wat dacht je van een .. pop? (katoen)

(a)  

12.

Dan wil ik een ... buikspreekpop. (duur)

(a)  

13.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Wie heeft een roze agenda gevonden?

(a)  

14.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Op de omslag staat een bruin paard.

(a)  

15.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Aan de binnenkant zit een dichtgeplakte envelop.

(a)  

16.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Bijna alles is geschreven met een paarse stift.

(a)  

17.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Hier en daar is een glinsterend plaatje geplakt.

(a)  

18.

Schrijf het lidwoord + bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord op.

Een kleine beloning voor wie hem vind.

(a)  

19.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Ik ben ontevreden, want mijn fiets is nu al kapot.

a)

intact

b)

ik heb een klacht

c)

een kat in de zak is

20.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Hoezo, hij is toch nog helemaal heel?

a)

intact

b)

een overeenkomst

c)

een poepie laten ruiken

21.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Zit je me te bedriegen?

a)

wordt een dure grap

b)

belazeren

c)

ik heb een klacht

22.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Die fiets stelt niet veel voor.

a)

een kat in de zak is

b)

is niet veel soeps

c)

een overeenkomst

23.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Wij hadden een afspraak. Jij zou de fiets kopen en niet klagen.

a)

overeenkomst

b)

ik heb een klacht

c)

is niet veel soeps

24.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Ja, maar toen wist ik niet dat ik een fiets kocht die op het eerste gezicht goed lijkt, maar het helemaal niet goed doet!

a)

een kat in de zak is

b)

wordt een dure grap

c)

een poepie laten ruiken

25.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Ik zal jou eens laten merken waar ik goed in ben.

a)

belazeren

b)

een poepie laten ruiken

c)

intact

26.

Kijk naar de gekleurde woorden. Welk woord of welke uitdrukking past daarvoor in de plaats?

Oh oh, dit gaat me veel geld kosten..

a)

een overeenkomst

b)

wordt een dure grap

c)

ik heb een klacht

27.

Schrijf de persoonsvorm op.

Sandra rent naar de wc.

(a)  

28.

Schrijf de persoonsvorm op.

Waarom gaat hij daar zo snel naartoe?

(a)  

29.

Schrijf de persoonsvorm op.

Misschien laat zijn scheetkussen een windje.

(a)  

30.

Schrijf het onderwerp op.

Sandra rent naar de wc

(a)  

31.

Schrijf het onderwerp op.

Waarom gaat hij daar zo snel naartoe?

(a)  

32.

Schrijf het onderwerp op.

Misschien laat zijn scheetkussen een windje.

(a)  

33.

Schrijf het onderwerp op.

Zijn broer heeft een pot gel gevraagd.

(a)  

34.

Schrijf het onderwerp op.

Maar Akim wil iets leukers geven.

(a)  

35.

Schrijf het onderwerp op.

Op een briefje leest hij: roeibank aangeboden.

(a)  

36.

Schrijf het onderwerp op.

De roeibank kost maar 10 euro.

(a)  

37.

Schrijf het onderwerp op.

Zoveel geld heeft Akim wel gespaard.

(a)  

38.

Schrijf het persoonsvorm op.

Zijn broer heeft een pot gel gevraagd.

(a)  

39.

Schrijf het persoonsvorm op.

Maar Akim wil iets leukers geven.

(a)  

40.

Schrijf het persoonsvorm op.

Op een briefje leest hij: roeibank aangeboden.

(a)  

41.

Schrijf het persoonsvorm op.

De roeibank kost maar 10 euro.

(a)  

42.

Schrijf het persoonsvorm op.

Zoveel geld heeft Akim wel gespaard

(a)  

43.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

In het groene gras zit een kikker.

b)

In het natte gras zat een pad.

44.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

Op de vlag staat een blauwe cirkel.

b)

Op de vlag is de ronde cirkel blauw.

45.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

In de witte sneeuw zit een vogeltje.

b)

In de zachte sneeuw is een vogeltje geland.

46.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

Het jonge kind begon te huilen.

b)

Het lachende kind was niet verdrietig.

47.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

De tractor tilt de lange boomstam.

b)

De tractor duwt de houten boomstam m.

48.

Waar is het bijvoeglijk naamwoord dubbelop gebruikt?

a)

De gestippelde bal lag in de dakgoot.

b)

De ronde bal rolde van het dak.