wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoeknaad theorie(examen) - deel 1

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is gelijkstroom?

a)

Een stroom met een veranderende polariteit en een constante amplitude

b)

Een stroom die periodiek van richting verandert

c)

Een stroom met constante polariteit (stroom die steeds in dezelfde richting vloeit)

d)

Een stroom met een veranderende polariteit en amplitude

2.

Hoe wordt de doorsnede van de laskabels bepaald?

a)

Met de hoeveelheid lasstroom en de lengte van de kabels

b)

Met de hoeveelheid lasstroom en de lassnelheid

c)

Met de hoeveelheid lasstroom en de dikte van de isolatielaag

d)

Met de hoeveelheid lasstroom en de weerstand van de kabels

3.

Er wordt over 'smeltlassen' gepraat, want ....

a)

we gebruiken een beschermgas

b)

het toevoegmateriaal smelt

c)

de elektrode smelt

d)

in de lasnaad is er een lokaal smelten van het materiaal

4.

Welke polariteit kies je voor MAG-lassen (135) van staal met volle draad?

a)

De positieve pool

b)

De negatieve pool

c)

Wisselstroom

d)

Dat maakt niet uit

5.

Bij DC TIG-lassen is de elektrode verbonden aan ....

a)

Aan de positieve of de negatieve pool, je mag kiezen

b)

De positieve pool

c)

De negatieve pool

d)

Aan geen van beide polen, want je gebruikt wisselstroom

6.

Wat wordt er bedoeld met een inschakelduur van 60%?

a)

60% van de lasstroom wordt gebruikt voor het lasproces

b)

Het toestel kan gedurende een bepaalde tijd een bepaalde stroom aan. In dit geval kan het toestel een bepaalde stroom aan gedurende 6 minuten, gemeten op een totale periode van 10 minuten

c)

Dit is het verbruik van lasstroom tijdens het lassen

d)

De totale gebruiksduur van het toestel

7.

De open klemspanning is ...

a)

De spanning tijdens het lassen, gemeten aan de klemmen van de transformator aan de primaire kant

b)

De spanning tijdens het lassen, gemeten aan de klemmen van de transformator aan de secundaire kant

c)

De spanning tussen werkstuk en laselektrode voor je met lassen aanvangt

d)

De spanning tussen aarding en laselektrode tijdens het lassen

8.

Wat is wisselstroom?

a)

Een veranderlijke sinusoïdale amplitude tussen de positieve maximumwaarde en een negatieve minimumwaarde

b)

Een stroom die in 1 richting vloeit

c)

Een stroom die nooit van richting en grootte verandert

d)

Een stroom met een constante polariteit en amplitude

9.

Welke algemene eigenschappen zijn typisch voor een lasstroombron tijdens het lassen?

a)

de lasstroom is hoog en de boogspanning hoog

b)

de lasstroom is hoog en de boogspanning is laag

c)

de lasstroom is laag en de boogspanning hoog

d)

de lasstroom is laag en de boogspanning laag

10.

Welke verschillende stralingsvormen worden geproduceerd tijdens het lassen?

a)

Ultraviolette straling (UV)

b)

Infrarode straling (IR)

c)

Zichtbaar licht

d)

Ultraviolette straling (UV), infrarode straling (IR) en zichtbaar licht

11.

Wat is de beste methode om gevaren met betrekking tot rook en gas te verminderen?

a)

Een goed lokale afzuiging

b)

Algemene ventilatie

c)

Een goede lokale afzuiging en algemene ventilatie

12.

Welke straling van de lasboog kan lasogen en huidverbranding tot gevolg hebben?

a)

Ultraviolette straling

b)

Infrarode straling

c)

Alle straling

d)

Zichtbaar licht

13.

De grootste gevaren bij lassen zijn ..... (duid alle juiste antwoorden aan):

a)

Vuur en explosie

b)

Brandwonden

c)

Elektrische schokken

d)

Rook, straling

e)

Inademen van schadelijke gassen

14.

Explosieve mengsels kunnen gevormd worden door mengsels van lucht en .....

a)

Waterstof

b)

Argon en helium

c)

Ozon

d)

80 % CO2 + 20 % Ar

15.

Waarom is een lastoestel geaard?

a)

Om de hoogfrequente stroom naar de aarde te laten lopen

b)

Om de stroombron op zijn plaats te houden

c)

Om de mogelijkheid tot gevaarlijke spanningsverschillen tussen de lasser en de aarde te voorkomen indien de lasser het lastoestel aanraakt

d)

Om het stroomcircuit te sluiten