wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3a/3b herhalen samenvatten argumenten tekstdoelen signwoorde

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

2.

en, ook, daarnaast en bovendien zijn signaalwoorden voor een

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

conclusie

d)

reden of argument

3.

Bij het tekstverband tegenstelling horen de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast, bovendien

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

maar, toch, echter, daarentegen

d)

doordat, hierdoor, met als gevolg

4.

Het tekstverband conclusie wordt aangekondigd met de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast en vervolgens

b)

waarmee, door middel van

c)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

d)

dus, kortom, dan ook

5.

De schrijver geeft zijn mening in een

a)

amuserende tekst

b)

activerende tekst

c)

informatieve tekst

d)

overtuigende tekst

6.

De hoofdgedachte van een tekst is

a)

precies hetzelfde als het onderwerp

b)

de conclusie

c)

antwoord op de vraag: "Waar gaat de tekst over?"

d)

het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, samengevat in één zin

7.

Het onderwerp van een tekst

a)

beschrijft in één woord of in een paar woorden waar de tekst over gaat.

b)

is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst.

8.

Welke 4 tekstdoelen ken je?

(a)  

9.

Geef een voorbeeld van een tekst die als doel heeft:

amuseren.

a)

nieuwsbericht

b)

uitnodiging

c)

stripverhaal

d)

recept

10.

Recensie van een film.

De verfilming van een vreselijk spannend boek levert niet altijd een spannende film op.

Cijfer: 7 Plus: bij vlagen best spannend Min: verhaal soms een beetje traag


Vraag: Wat is het doel van deze tekst?

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

informeren

d)

zeggen waar de film over gaat

11.

Welke vraag stel je jezelf als je het onderwerp van een tekst wilt weten?

a)

Wie heeft het gedaan?

b)

Waar gaat de tekst over?

c)

Hoeveel alinea's heeft de tekst?

d)

Wat is de titel van de tekst?

12.

Wat een prachtige beweging!

a)

Feit

b)

Mening

13.

Een feit kun je controleren.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Maar en echter zijn de signaalwoorden voor het tekstverband ...

(a)  

15.

Welke uitspraken zijn juist? Er zijn meerdere goede antwoorden.

a)

Als je iets kunt controleren is het een feit.

b)

Feiten kun je alleen op Google controleren.

c)

Een mening herken je aan woorden ik vind en volgens mij.

d)

Een argument herken je aan signaalwoorden als want, omdat, daarom en namelijk.

16.

Om jouw mening kracht bij te zetten, gebruik je..

a)

Feiten

b)

Meningen

c)

Argumenten

d)

Meningen van anderen

17.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
18.
Welke signaalwoorden horen bij een 'redengevend verband'? 
a)
namelijk, want
b)
al met al, doordat
c)
want, al met al
d)
doordat, wegens
19.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

20.

Wat is verkennend lezen?

a)

Je wilt snel weten waar een tekst over gaat en leest bepaalde punten uit die tekst.

b)

Je wilt de hele tekst begrijpen en leest alles goed door.

c)

Je scant met je ogen snel over de tekst.

d)

Je wilt de tekst kunnen onthouden.