Font size
WorksheetsZwakke werkwoorden gemengd tt&vt
Total questions: 20
Worksheet time: 40mins
Ik (a) (schaatsen, tt) over de gladde vloer.
Jij (a) (vegen, vt) gistermiddag je neus aan de zakdoek af.
(a) (halen, tt) die jongen de selectie denk je?
(a) (verbazen, tt) jij je wel eens over iets?
Morgen (a) (bouwen, tt) de bouwvakker een huis.
(a) (spelen, tt) jij graag buiten?
Vroeger (a) (reizen, vt) jij dagelijks met de trein.
Vorige week (a) (stoppen, vt) ik de vuilnis in de container.
Toen (a) (redden, vt) mijn opa zijn vader.
Vorig jaar (a) (fluisteren, vt) mijn zusje alles wat ze zei.
Jij (a) (dromen, tt) veel in je slaap.
De kinderen (a) (halen, tt) de boodschappen voor hun moeder.
Tamara (a) (knopen, tt) de bloemen bij elkaar
Jij (a) (knippen, vt) gisteren het haar van je pop
Afgelopen zomer (a) (aaien, vt) je vaak honden.
Ik (a) (reizen, tt) graag naar verre landen.
Gisteren (a) (maken, vt) Noa geen fouten in de toets.
Edward (a) (knopen, vt) gisteren zijn hond even aan een boom.
Vroeger (a) (fluisteren, vt) Koen nooit.
Toen (a) (hinkelen, vt) jij door de klas.
