wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling wiskunde 2STEM Trimester 3

Total questions: 62

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

De hoekensom in een driehoek is gelijk aan ...

a)

90°

b)

180°

c)

240°

d)

360°

2.

Hoe groot is hoek R?

a)

18°

b)

28°

c)

29°

d)

39°

3.

In een driehoek is A = 30°, B = 75° en C = ?

a)

55°

b)

65°

c)

70°

d)

75°

4.

Hoe groot zijn de hoeken in een gelijkzijdige driehoek?

a)

30°

b)

60°

c)

90°

d)

180°

5.

L is een ...

a)

hoektop

b)

tophoek

c)

basishoek

d)

been

6.

[KM] is een ...

a)

been

b)

basishoek

c)

basis

7.

Wat is de eigenschap van gelijkbenige driehoeken?

a)

De benen zijn even lang.

b)

Alle hoeken zijn even groot.

c)

De basishoeken zijn even groot.

d)

Alle hoeken zijn gelijk aan 90°.

8.

Hoeveel symmetrieassen heeft een ongelijkbenige driehoek?

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

9.

Hoeveel symmetrieassen heeft een gelijkzijdige driehoek?

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

10.

Een gelijkzijdige driehoek is ook gelijkbenig.

a)

juist

b)

fout

11.

Een rechthoekige driehoek kan drie symmetrieassen hebben.

a)

juist

b)

fout

12.

Soort data?

Wat is je favoriete kleur?

a)

numerieke data

b)

categorische data

13.

Hoeveel huisdieren heb je?

a)

numerieke data

b)

categorische data

14.

Wat is de postcode van alle leerkrachten op Wetech.

a)

numerieke data

b)

categorische data

15.

Wat is de absolute frequentie?

a)

De variabele die je onderzoekt.

b)

Het aantal keer dat een waarde in een reeks data voorkomt.

c)

De hoeveel dat je iets onderzoekt bij mensen.

16.

In een frequentietabel staat de frequentie ...

a)

links

b)

midden

c)

rechts

17.

Welke grafische voorstelling zie je hier?

a)

lijndiagram

b)

lijngrafiek

c)

cirkeldiagram

d)

dotplot

18.

Welk product wordt het meest verkocht?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

19.

Welk fruit weegt het zwaartst?

a)

druiven

b)

kersen

c)

appels

d)

bananen

20.

Hoeveel goals werden bij een match het meest gescoord?

a)

1

b)

3

c)

4

d)

5

21.

Wat voor driehoek zien we hier?

a)

Een rechthoekige driehoek

b)

Een gelijkbenige driehoek

c)

Een gelijkzijdige driehoek

22.

Dit is een...

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

23.

Hoe heet de zanger van Maneskin?

#Prioriteiten

a)

Rick

b)

Damiano

c)

David

d)

Jos

24.

Wat is het gemiddelde: 1, 3, 4, 4

a)

2,5

b)

3

c)

4

d)

er is geen gemiddelde

25.

Het gemiddelde is:

a)

Alles bij elkaar optellen delen door het aantal getallen

b)

Het meest voorkomende getal

c)

Het middelste getal

d)

Er is alleen een gemiddelde als het mooi uitkomt

26.

Voor dat je een mediaan kunt bepalen moet je eerst:

a)

Smarties op kleur sorteren

b)

Getallen van klein naar groot zetten

c)

Getallen van groot naar klein zetten

d)

Getallen bij elkaar optellen

27.

Het hoeveelste getal is het middelste getal in een rij van 89 getallen?

a)

het 44e getal

b)

het 45e getal

c)

het 44e en het 45e getal

d)

het 46e getal

e)

er is geen middelste getal

28.

Hier zie je wat de leerlingen de afgelopen weken aan fastfood hebben gegeten.

Geef de modus.

(a)  

29.

De variatiebreedte is...

a)

Het aantal keer dat een waarde in een reeks voorkomt.

b)

Het middelste getal in een reeks waarden.

c)

De som van alle waarden gedeeld door het aantal waarden.

d)

Het verschil tussen de hoogste en laagste waarde.

30.

Een vierhoek is ...

a)

een vlakke figuur gevormd door vier hoeken en vier zijden.

b)

een figuur met vier hoeken.

c)

een vlakke figuur met drie hoeken en drie zijden.

d)

een ruimtefiguur met vier hoeken en vier zijden.

31.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

32.

Een gelijkbenig trapezium is

a)

een trapezium met 2 rechte hoeken.

b)

een trapezium met 2 even lange opstaande zijden.

c)

een figuur die niet bestaat.

d)

een parallellogram met rechte hoeken.

33.

Een parallellogram is

a)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

een vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

een vlakke figuur met minstens één paar evenwijdige zijden.

d)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige vlakken.

34.

In een parallellogram

a)

zijn de diagonalen even lang.

b)

delen de diagonalen elkaar middendoor.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

zijn de vier zijden even lang.

35.

Een rechthoek is

a)

een vlakke figuur met vier even lange zijden.

b)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

c)

een vlakke figuur waarvan alle hoeken even groot zijn, namelijk 60°

d)

een vlakke figuur die wordt gevormd door drie hoeken en drie zijden.

36.

Een ruit is

a)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een vierhoek met vier even grote hoeken.

37.

In een ruit

a)

zijn de hoeken even groot.

b)

zijn de diagonalen even lang en delen elkaar middendoor.

c)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

d)

staan de diagonalen loodrecht op elkaar en delen ze elkaar middendoor.

38.

Elke vierkant is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Elke ruit is ook een

a)

vierkant

b)

rechthoek

c)

parallellogram

d)

cirkel

41.

Wat is de hoekensom in vierhoeken?

a)

90°

b)

180°

c)

240°

d)

360°

42.

Een vierhoek kan vier scherpe hoeken hebben.

a)

juist

b)

fout

43.

Er bestaan ruiten waarbij de diagonalen niet loodrecht op elkaar staan.

a)

juist

b)

fout

44.

Bij alle rechthoeken snijden de diagonalen elkaar middendoor.

a)

juist

b)

fout

45.

In 3x² noemen we 3 ook wel ...

a)

de coëfficiënt

b)

het letterdeel

c)

het cijfer

46.

Gelijksoortige eentermen zijn ...

a)

eentermen met hetzelfde letterdeel.

b)

eentermen met hetzelfde cijferdeel.

47.

Duid de gelijksoortige eentermen aan.

a)

3x23x^2

b)

0,5x2-0,5x^2

c)

3x3x

d)

3y23y^2

48.

Schrijf de eenterm volgens de afspraken. y3xy\cdot3\cdot x  

a)

 3xy3xy  

b)

 3xy 3\cdot xy\   

c)

 3yx3yx  

d)

 3yx3\cdot yx  

49.

 3b3(2b2)3b^3\cdot\left(-2b^2\right)  

a)

 6b5-6b^5  

b)

 6b6-6b^6  

c)

 bb  

d)

 108b5108b^5  

50.

 3(x+2)3\cdot\left(x+2\right)  

a)

 3x+63x+6  

b)

 3x+23x+2  

c)

 x+6x+6  

d)

 6x6x  

51.

 (2x2)3\left(-2x^2\right)^3  

a)

 8x6-8x^6  

b)

 8x68x^6  

c)

 8x5-8x^5  

d)

 8x58x^5  

52.

 54a5\cdot4a  

a)

 20a20a  

b)

 9a9a  

c)

 20+a20+a  

d)

 20+5a20+5a  

53.

18a + 39a =

a)

57a2

b)

57a

c)

57

d)

57aa

e)

ander antwoord

54.

(a2)5 =

a)

a7

b)

a-3

c)

a25

d)

a10

e)

a3

55.

 4x+9x-4x+9x  

a)

 5x5x  

b)

 13x-13x  

c)

 5x25x^2  

d)

 13x2-13x^2  

56.

Wat is de definitie van een veelterm?

a)

Een veelterm zijn meerdere eentermen.

b)

Een veelterm is een som van eentermen.

c)

Een veelterm is een product van eentermen.

d)

Een veelterm is een quotiënt van eentermen.

57.

 3x²  6x² = 3x²\ -\ 6x²\ =\   

a)

 9x9x  

b)

 3x-3x  

c)

 3x²-3x²  

d)

 3x²3x²  

58.

 2x² . 5x²2x²\ .\ 5x²  

a)

 10x²10x²  

b)

 10x410x^4  

c)

 7x²7x²  

d)

 7x47x^4  

59.

 (3a²)³\left(3a²\right)³  

a)

 27a527a^5  

b)

 27a627a^6  

c)

 3a53a^5  

d)

 3a63a^6  

60.

 b + 2b = b\ +\ 2b\ =\   

a)

 3b3b  

b)

 3b²3b²  

c)

 2b2b  

d)

 2b²2b²  

61.

 m + m + m + m =m\ +\ m\ +\ m\ +\ m\ =  

a)

 4m4m  

b)

 m4 m^{4\ }  

62.

Ik vond de lessen van Mevrouw Maes dit schooljaar ...

a)

fantastisch

b)

levensverrijkend

c)

saai

d)

geweldig

e)

stom