wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

pathologie periode 8

Total questions: 31

Worksheet time: 8hrs 31mins

Name
Class
Date
1.

wat is geen risicofactor voor het krijgen van een UWI?

a)

overgewicht

b)

urine retentie

c)

nierstenen

d)

verblijfskatheters

e)

verminderde weerstand

2.

wie heeft er eerder kans op een UWI?

a)

mannen

b)

vrouwen

c)

evenveel kans

3.

welke van de onderstaande zijn symptomen bij een UWI? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

misselijkheid

b)

branderig gevoel bij mictie

c)

hematurie

d)

loze aandrang

e)

vergrote blaas

4.

een ontsteking van de urineweg door een sepsis heet?

a)

hematurie

b)

urosepsis

c)

blaascarcinoom

d)

nefronitis

5.

welke van de onderstaande is geen onderzoek van de urine naar bacteriën?

a)

dipstick

b)

kweek

c)

dipslide test

d)

venapunctie

6.

nierstenen ontstaan door:

a)

samenklonteren van mineralen en zouten

b)

vernauwing van de nierkelk

c)

stress incontinentie

d)

terugkerende Soa's

7.

wat zijn risicofactoren voor het krijgen van nierstenen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

te weinig drinken

b)

te veel zweten

c)

veel vlees en zout eten

d)

zwangerschap

8.

welke vorm van nierstenen komt het meest voor?

a)

urinezuurstenen

b)

struvietstenen

c)

calciumstenen

9.

wat is geen behandeling bij nierstenen?

a)

operatie

b)

afwachten (zelf uitplassen)

c)

pijnstilling

d)

fysiotherapie

10.

in welke drie categorieën kan acuut nierfalen worden ingedeeld?

a)

post renaal

b)

intra renaal

c)

renaal

d)

pre renaal

11.

stelling:

bij pre renaal nierfalen ligt de oorzaak na de nieren, in de urineleiders of in de blaas.

a)

juist

b)

onjuist

12.

stelling:

bij pre renaal nierfalen ligt de oorzaak voor de nieren, in de bloedtoevoer.

a)

juist

b)

onjuist

13.

welke van de onderstaande zijn symptomen bij chronisch nierfalen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

misselijkheid

b)

verlies van energie

c)

aankomen in gewicht

d)

jeuk

e)

botpijn

14.

welke van de onderstaande is geen behandeling bij nierfalen?

a)

hemodialyse

b)

hemofiltratie

c)

peritoneaal dyalise

d)

peritoneale toucher

15.

welke is geen incontinentie soort?

a)

stress incontinentie

b)

disfunctionele incontinentie

c)

overloop incontinentie

d)

reflexincontinentie

16.

welke zijn risicofactoren voor het krijgen van incontinentie? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

overgewicht

b)

positieve familiegeschiedenis

c)

gebruik van cafeïne houdende dranken

d)

te hard persen bij de ontlasting

17.

stelling:

struviet nierstenen komen het minst voor.

a)

juist

b)

onjuist

18.

welke adviezen kan je geven ter voorkoming van nierstenen? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

drinken voor het slapen gaan

b)

drink niet (teveel) tijdens een koliekpijn.

c)

schrijf regelmatig een antibiotica kuur voor

d)

drink regelmatig alcohol (verdunt de urine)

19.

stelling:

bekkenbodemspierzwakte geeft een verhoogde risico op stressincontinentie.

a)

juist

b)

onjuist

20.

stelling:

bij urge incontinentie wordt de blaaswand zodanig geprikkeld zodat er een niet onderdrukbare aandrang volgt.

a)

juist

b)

onjuist

21.

hoe wordt reflexincontinentie ook wel genoemd?

a)

urgency incontinentie

b)

functionele incontinentie

c)

neurogene incontinentie

d)

zwangerschap incontinentie

22.

stelling:

bij overloop incontinentie is er een ongewilde gehele blaas lediging.

a)

juist

b)

onjuist

23.

stelling:

binnen de VVT zorg komt reflexincontinentie het meest voor.

a)

juist

b)

onjuist

24.

Wat is benigne prostaathyperplasie (BPH)?

a)

Kwaadaardige vergroting van de prostaat, ontstaat meestal na 50e levensjaar

b)

Goedaardige vergroting van de prostaat, ontstaat meestal na 30e levensjaar

c)

Goedaardige vergroting van de prostaat, ontstaat meestal na 50e levensjaar

d)

Kwaadaardige vergroting van de prostaat, ontstaat meestal na 30e levensjaar

25.

wat is geen symptoom bij BPH?

a)

obstipatie

b)

zwakkere urine straal

c)

nadruppelen

d)

kleine beetjes plassen

26.

wat is de Latijnse benaming voor nierstuwing?

a)

nefrostenose

b)

nefrocefalitis

c)

hydronefrose

d)

volemische nefrose

27.

gemende incontinentie is een combinatie van de volgende 2 incontinentie soorten: (2 antwoorden).

a)

reflexincontinentie

b)

urge incontinentie

c)

stressincontinentie

d)

functionele incontinentie

28.

de letters TURP staan voor?

a)

totale urethrale resectie van de prostaat

b)

trans urethrale resectie van de prostaat

c)

terminale uitvoering van de prostaat

d)

tijdelijke resorptie van de prostaat

29.

stelling:

een rectaal toucher kan bij de vrouw pijnlijker zijn dan bij de man.

a)

juist

b)

onjuist

30.

welke van de onderstaande hoort niet bij een UWI?

a)

nierkelk

b)

urether

c)

urethra

d)

blaas

31.

stelling:

peritoneale dialyse is een manier om de nierfunctie over te nemen.

a)

juist

b)

onjuist