wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NN Wsch. H3 Figuurlijk taalgebruik 3kb

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

‘Je moet wel bij de les blijven’, zei meneer Smeets.

a)

Je mag het leslokaal niet uit.

b)

Je moet opletten.

2.

Mijn vader begint meteen te piepen als hij bloed ziet.

a)

Mijn vader is onnodig bang als hij bloed ziet.

b)

Mijn vader maakt meteen een hoog geluid als hij bloed ziet.

3.

Je viel met je neus in de boter toen je de kamer binnenkwam.

a)

Je kwam op het goede moment binnen.

b)

Je struikelde en viel toen met je neus in de boter.

4.

Ik kan er geen touw aan vastknopen.

a)

Ik kan er geen touw aan vastmaken.

b)

Ik snap er niets van.

5.

Tim is nog niet droog achter de oren.

a)

Tim heeft natte oren.

b)

Tim is nog niet volwassen.

6.

De grap van de presentator was niet leuk. Daarom bood hij excuses aan voor zijn smakeloze grap.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

7.

‘Smakelijk eten!’, zei de serveerster toen ze de pannenkoek voor me neerzette.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

8.

Sara heeft haar slaapkamer geverfd en nieuwe spullen neergezet. Het is smaakvol ingericht.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

9.

Vind jij ook dat de pizza nog best goed smaakt als hij koud is?

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

10.

Iets valt in de smaak als iets mooi gevonden wordt.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

11.

Tim is de smaakmaker op elk feest: als hij erbij is, heeft iedereen plezier.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

12.

In teksten kom je vaak zinnen tegen met een letterlijke / figuurlijk betekenis. Er wordt dan iets anders bedoeld dan er eigenlijk staat.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

13.

Als je niet weet wat een uitdrukking betekent, zoek je het woord op in het woordenboek. Je zoekt bij het eerste belangrijkste / langste woord uit de uitdrukking.

a)

eerste belangrijkste

b)

langste

14.

Door die ........ op het Dorpsplein ben ik de tijd vergeten en kwam ik te laat thuis.

a)

heisa

b)

versie

c)

vertrouwde

15.

Steeds meer mensen zijn voor een ...... van plastic verpakkingen.

a)

boycot

b)

complot

c)

consument

16.

Als je die aanbieding niet wilt missen, moet je....... naar winkel.

a)

aanpassen

b)

binnen de perken

c)

in no time

17.

Deze ...... staan al uren in de rij voor een handtekening van een topvoetballer.

a)

consumenten

b)

fans

c)

versies

18.

Noa heeft op Marktplaats een roze fiets.......

a)

op de hals gehaald

b)

op de kop getikt

c)

uit de tent gelokt

19.

De vulling van dat kussen bestaat uit / verklaart ganzenveren en eendendons.

a)

bestaat uit

b)

verklaart

20.

De trend / Het imago van deze zanger is slechter geworden na zijn mislukte optreden.

a)

De trend

b)

Het imago

21.

Door een alternatief / overvloed aan regenwater zijn de rivieren overstroomd.

a)

alternatief

b)

overvloed

22.

Er gaat amper / gering een dag voorbij zonder files op de weg.

a)

amper

b)

gering

23.

De alternatieven / producenten van deze handige waterflesjes hebben er veel geld mee verdiend.

a)

alternatieven

b)

producenten

24.

Echter / Vanzelfsprekend krijgt u uw geld terug als wij een fout hebben gemaakt.

a)

Echter

b)

Vanzelfsprekend

25.

Welke uitdrukking hoort bij de zin:

Deze broek vind ik mooi.

a)

smaken verschillen

b)

de smaak te pakken krijgen

c)

in de smaak vallen

d)

daar zit kraak nog smaak aan

e)

meer smaken zijn er niet

26.

Welke uitdrukking hoort bij de zin:

Ik vind er niet veel aan, behoorlijk saai en suf.

a)

smaken verschillen

b)

de smaak te pakken krijgen

c)

in de smaak vallen

d)

daar zit kraak nog smaak aan

e)

meer smaken zijn er niet

27.

Welke uitdrukking hoort bij de zin:

Wel grappig dat we er zo anders over denken.

a)

smaken verschillen

b)

de smaak te pakken krijgen

c)

in de smaak vallen

d)

daar zit kraak nog smaak aan

e)

meer smaken zijn er niet

28.

Welke uitdrukking hoort bij de zin:

Ik begin het passen leuk te vinden. Ik pas er nog eentje.

a)

smaken verschillen

b)

de smaak te pakken krijgen

c)

in de smaak vallen

d)

daar zit kraak nog smaak aan

e)

meer smaken zijn er niet

29.

Welke uitdrukking hoort bij de zin:

Dat kan helaas niet. Ze hebben niet meer broeken in jouw maat.

a)

smaken verschillen

b)

de smaak te pakken krijgen

c)

in de smaak vallen

d)

daar zit kraak nog smaak aan

e)

meer smaken zijn er niet

30.

De rechter bepaalt de straf.

a)

De rechter stelt vast wat de straf moet zijn.

b)

De rechter verhoogt de straf.

c)

De rechter zegt dat de straf niet geldig is.

31.

De weerman verklaart het heftige onweer.

a)

De weerman legt de oorzaak uit van het heftige noodweer.

b)

De weerman vertelt wanneer het heftige noodweer begon.

c)

De weerman voorspelt dat er heftig noodweer komt.

32.

Mijn opa rijdt amper in zijn auto.

a)

Mijn opa rijdt alleen kleine stukjes in de auto.

b)

Mijn opa rijdt bijna niet meer in zijn auto.

c)

Mijn opa rijdt heel langzaam in zijn auto.

33.

Het aantal aanmeldingen was gering.

a)

De aanmeldingen kwamen snel binnen.

b)

Er was een klein aantal aanmeldingen.

c)

Het aantal aanmeldingen was niet goed.

34.

Vanzelfsprekend mag jij ook mee.

a)

Als je het zelf regelt, mag jij ook mee.

b)

Natuurlijk mag je ook mee.

c)

We spreken af dat jij ook mee mag.

35.

Is er een alternatief voor de wandeltocht?

a)

Is er een andere mogelijkheid voor de wandeltocht?

b)

Is er een goede oplossing voor de wandeltocht?

c)

Is er genoeg interesse voor de wandeltocht?