wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof 3e trimester Campus 2

Total questions: 111

Worksheet time: 1hrs 6mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het bijwoord?

De jongen rende hard.

a)

jongen

b)

rende

c)

hard

d)

de

2.

Benoem het bijwoord.

De auto rammelt erg.

a)

auto

b)

rammelt

c)

erg

d)

de

3.

Benoem het bijwoord.

Dat is een bijzonder mooie fiets.

a)

bijzonder

b)

mooie

c)

fiets

d)

Dat

4.

Benoem het bijwoord.

Ik vind dat een heel rare uitleg.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

5.

Benoem het bijwoord.

Hij koopt snel een nieuwe pen.

a)

koopt

b)

snel

c)

nieuwe

d)

pen

6.

Benoem het bijwoord.

Hij typt de zinnen verkeerd.

a)

typt

b)

zinnen

c)

verkeerd

d)

Hij

7.

Benoem het bijwoord.

Zij bouwde een ontzettend groot gebouw.

a)

bouwde

b)

ontzettend

c)

groot

d)

gebouw

8.

Benoem het bijwoord.

Dat was een enorm slechte grap.

a)

enorm

b)

slechte

c)

grap

d)

was

9.

Benoem het bijwoord.

We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.

a)

zagen

b)

verschrikkelijk

c)

mooie

d)

vuurwerk

10.

'Vruchteloos probeerden wij de opdracht te maken.' Is het woord 'vruchteloos' een:

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

bepaling

d)

voornaamwoord

11.

Ook later, was er iets dat ons ontsnapte. Welke functie heeft het woord 'later'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

werkwoord

12.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

Hij is ziek.

a)

bijwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

13.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

'Het gouden horloge van Stephan is gestolen.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

14.

Over welke woordsoort kunnen bijwoorden niets zeggen?

a)

werkwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

15.

Waar of niet waar? Een bijvoeglijk naamwoord kan je verbuigen, een bijwoord niet.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Welke functie heeft het onderstreepte woord?

Morgen gaan we naar het zwembad.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

17.

Welke functie heeft het onderstreepte woord?

De leerkracht heeft hem nu drie keer gewaarschuwd.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

telwoord

c)

bijwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

18.

Wat is de functie van het onderstreepte woord?

Kato heeft het versleten, blauwe jasje eindelijk weggegooid.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

vragend voornaamwoord

19.

Benoem het bijwoord.

Na de les mochten ze eindelijk hun telefoon gebruiken.

a)

Na

b)

eindelijk

c)

hun

d)

gebruiken

20.

Benoem de bijwoorden.

Achteraf weet ze dat ze beter had moeten oefenen.

a)

Achteraf, had

b)

ze, ze

c)

beter, oefenen

d)

Achteraf, beter

21.

Benoem de woordsoort.


Misschien ga ik morgen naar de bioscoop.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijwoord (bw)

c)

Vragend voornaamwoord (vrag.vnw.)

22.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

23.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

24.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

25.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

26.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

27.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ het nu mag of niet, we doen het!

a)

Dus

b)

Echter

c)

Of

d)

Zolang

28.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

29.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

30.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

31.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
32.
Mijn broertjes vinden die knallen fantastisch, maar mijn moeder heeft er een grote hekel aan.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
33.

Onderschikking of nevenschikking?


Anne-Marie vertrouwt er niet op dat de postbode vandaag nog komt.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

34.

Onderschikking of nevenschikking?


Nadat Wim de buurvrouw uitgescholden had, liep hij opgelucht naar buiten.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

35.

Onderschikking of nevenschikking?


Lodewijk beslist morgen of hij de auto koopt.

a)

Onderschikkend

b)

Nevenschikkend

36.

Onderschikking of nevenschikking?


De minister kondigde de bezuiniging aan, maar dat viel niet bij iedereen in goede aarde.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

37.

Onderschikking of nevenschikking?


De minister kondigde de bezuiniging aan, maar dat viel niet bij iedereen in goede aarde.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

38.

Onderschikking of nevenschikking?


Marieke haalde opgelucht adem en Joost klapte in zijn handen.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

39.

"Jan vroeg zich af of hij de test opnieuw mocht maken."

'Of' is hier

a)

onderschikkend voegwoord

b)

nevenschikkend voegwoord

40.

Schrijf voluit:


t.e.m.

(a)  

41.

Verbeter:


enquete

(a)  

42.

Wat is correct?

a)

Elias pennenzak

b)

Elias's pennenzak

c)

Elias' pennenzak

43.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
De politie heeft tien gestolen Porsche's en Ferrari's teruggevonden.
b)
De politie heeft tien gestolen Porsches en Ferraris teruggevonden.
c)
De politie heeft tien gestolen Porsches en Ferrari's teruggevonden.
d)
De politie heeft tien gestolen Porsche's en Ferraris teruggevonden.
44.

Duid de zin aan die correct is gespeld.

a)

'K maak nog te veel fouten in mijn dictee's.

b)

'k Maak nog te veel fouten in mijn dictees.

c)

'k Maak nog te veel fouten in mijn dictee's.

d)

ik maak nog te veel fouten in mijn dictees.

45.

Het meervoud van logo is...

a)

logos

b)

logoo's

c)

logo's

d)

l'ogos

46.

In de winter____________ gaan wij vaak skiën

a)

'S Winters

b)

's Winters

c)

's winters

d)

s' Winters

47.

Ik ga wel eens in de zomer_________ naar het zwembad

a)

szomers

b)

's zomers

c)

s' somers

d)

's Zomers

48.

Opa zijn________ auto is gisteren gestolen

a)

Opaas

b)

Opa's

c)

opa's

d)

opas'

49.

In de stad Tokyo rijden ontzettend veel_______

a)

auto's

b)

autoos

c)

autos

d)

autoo's

50.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Zebras, okapis en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
b)
Zebra's, okapi's en chimpansee's zijn Afrikaanse diersoorten.
c)
Zebra's, okapis en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
d)
Zebra's, okapi's en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
51.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
s' Morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
b)
's Morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
c)
'S morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
d)
's Morgens heeft Lucas vader vaak last van een ochtendhumeur.
52.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
In Kaatjes kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
b)
In Kaat's kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
c)
In Kaatje's kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
d)
In Kaatjes' kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
53.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Op kleine babytjes passen is één van mijn hobbys.
b)
Op kleine baby'tjes passen is één van mijn hobby's.
c)
Op kleine babytjes passen is één van mijn hobby's.
d)
Op kleine babytje's passen is één van mijn hobby's.
54.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Charlottes collegas zijn heel sympathiek.
b)
Charlotte's collega's zijn heel sympathiek.
c)
Charlottes collega's zijn heel sympathiek.
d)
Charlotte's collegas zijn heel sympathiek.
55.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Ken jij cafés die 's maandags open zijn?
b)
Ken jij café's die s' maandags open zijn?
c)
Ken jij café's die 's maandags open zijn?
d)
Ken jij cafés die 's maandag's open zijn?
56.

Welke twee betekenissen horen bij het homoniem: aanhanger

a)

supporter

b)

kar achter de auto

c)

leiding

d)

wapen

57.

Zoek twee betekenissen bij het homoniem: leiding

a)

Hij heeft veel pijn

b)

Hij is de baas

c)

Daar loopt water doorheen

d)

Een ander woord voor deur

58.

Welk homoniem hoort bij een bloem en witte korreltjes in je haar?

a)

narcis

b)

luizen

c)

roos

d)

neten

59.

Welk homoniem hoort bij een mes dat niet scherp is en een deel van je lichaam?

a)

arm

b)

bot

c)

scherp

d)

schedel

60.

Wat is het homoniem van: een deel van een vogel / piano?

a)

snavel

b)

veer

c)

accordeon

d)

vleugel

61.

Welke drie betekenissen ken je bij het homoniem "mars"

a)

nuts

b)

planeet

c)

soort reep met chocola

d)

wandeltempo

62.

Een ander woord voor 'enkel' is: alleen, wat is de andere?

a)

niemand

b)

gewricht bij je voet

c)

pink

d)

grijs

63.

Een briljant is een diamant. Wat betekent briljant nog meer?

a)

ring

b)

dom

c)

onhandig

d)

heel knap

64.

Wat is een hyperoniem?

a)

een woord dat een overkoepeld begrip is ten opzichte van andere woorden

b)

een woord dat een onderliggend begrip is ten opzichte van andere woorden

c)

een woord dat hetzelfde klinkt, maar een andere betekenis heeft

d)

een woord dat hetzelfde geschreven wordt, maar een andere betekenis heeft

65.

Wat is een hyponiem?

a)

een woord dat een overkoepeld begrip is ten opzichte van andere woorden

b)

een woord dat een onderliggend begrip is ten opzichte van andere woorden

c)

een woord dat hetzelfde klinkt, maar een andere betekenis heeft

d)

een woord dat hetzelfde geschreven wordt, maar een andere betekenis heeft

66.

Welk hyponiem past bij het hyperoniem 'gereedschap'

a)

koffer

b)

schroevendraaier

c)

schaar

d)

vork

67.

Welk hyperoniem past bij deze woorden: sluipen, slenteren, marcheren, paraderen?

a)

rennen

b)

springen

c)

sporten

d)

wandelen

68.

Gisteren hebben wij een toets gemaakt.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

betrekkelijk voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

69.

De toets die wij gemaakt hebben was erg moeilijk.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

70.

Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

71.

Ouders willen jullie tijd niet verspillen aan fietsen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

72.

Daarom mogen jullie vaak met de bus naar school.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

73.

Herinnert u zich nog dat u moet nakijken?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

74.

Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

75.

Die leerling die daar loopt gaat naar het leerlingcentrum.

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Betrekkelijk voornaamwoord

76.

Die leerling die daar loopt, gaat naar het leerlingcentrum.

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Betrekkelijk voornaamwoord

d)

Bezittelijk voornaamwoord

77.

Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

78.

Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Onbepaald voornaamwoord

c)

Vragend voornaamwoord

d)

Aanwijzend voornaamwoord

79.
De meeste leerlingen komen met de fiets naar school. Hoeveel voorzetsels zitten er in deze zin?
a)
4
b)
2
c)
1
d)
Geen
80.
Wat een mooie, originele, leuke en goede boektrailers hebben jullie gemaakt!
a)
In deze zin staan veel bijvoeglijke naamwoorden.
b)
In deze zin staan vooral zelfstandige naamwoorden.
c)
Deze zin mist een voorzetsel.
81.
Een zelfstandig naamwoord kun je in het meervoud zetten en je kunt er een verkleinwoord van maken.
a)
Juist
b)
Onjuist, een zelfstandig naamwoord kan nooit een verkleinwoord zijn.
82.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

83.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

84.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

85.

Wat is de gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.

a)

zn

b)

bn

c)

lw

d)

aanw.vnw

86.

Wat is de gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.

a)

zn

b)

lw

c)

bn

d)

aanw.vnw

87.

Heb je je hieraan gesneden? Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

pers.vnw

b)

aanw.vnw

c)

bn

d)

zn

88.

Ik heb je fiets even geleend.HET GEKLEURDE WOORDSOORT =

a)

aanw.vnw

b)

bn

c)

bez.vnw

d)

zn

89.

Indirecte of directe rede?

Leo vroeg mij, waarom ik niet had gebeld.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

90.

Indirecte of directe rede?

Ik antwoordde: 'Dat was ik vergeten.'

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

91.

'Ga je vanavond mee?' vroeg ik aan Inge.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

92.

Inge zei, dat ze vanavond nog moest werken.

a)

Indirecte rede

b)

Directe rede

93.

Wat is goed geschreven?

a)

Nog even knallen voor de toetsweek, zei Anna.

b)

'Nog even knallen voor de toetsweek', zei Anna.

c)

'Nog even knallen voor de toetsweek, zei Anna'.

d)

'Nog even knallen voor de toetsweek,' zei Anna.

94.

(die, dit, deze, dat, wat): De leerlingen ... daar zitten, zijn druk bezig.

(a)  

95.

(die, dit, deze, dat, wat): De leerlingen zijn goed bezig, ... de docent zeer waardeert.

(a)  

96.

(die, dit, deze, dat, wat): Het antwoordblad ... daar ligt, kun je gebruiken om na te kijken.

(a)  

97.

(die, dit, deze, dat, wat): Dit is het lekkerste ... ik ooit geproefd heb.

(a)  

98.

De mentor geeft de rapporten aan ...

a)

hun

b)

hen

c)

zij

99.

De politie geeft ... medewerkers een extraatje.

a)

zijn

b)

hun

c)

haar

d)

ze

100.

De vriend van het meisje heeft ... teen gestoten.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

d)

ze

101.

Wat is het meervoud van positie?

a)

positiën

b)

positieën

c)

posities

d)

positie's

102.

Wat is het meervoud van penalty?

a)

penalty's

b)

penaltys

c)

penalties

d)

penaltiën

103.

Waar moet de komma ?

a)

De boeren moeten de dieren verminderen, want er is teveel stikstof.

b)

De boeren moeten dieren verminderen want, er is teveel stikstof.

104.

Waar moet de komma ?

a)

We hebben veel huiswerk want, we hebben in de les niet gewerkt.

b)

We hebben veel huiswerk, want we hebben in de les niet gewerkt.

105.

Welke zin is goed ?

a)

Dat is niet grappig omdat, je iemand discrimineert.

b)

Ik vind dat spel niet leuk, omdat je in dat spel moet rijden.

106.

Welke zin is goed?

a)

Als je schrift vol is, moet je een nieuw schrift meenemen.

b)

Als je schrift, vol is moet je een nieuw schrift meenemen.

c)

Als je schrift vol is, moet je een nieuw, schrift meenemen.

d)

Als, je schrift vol is moet je een nieuw schrift meenemen.

107.

Welke zin is juist?

a)

Tim ruim je kamer, eens op!

b)

Tim ruim, je kamer eens op!

c)

Tim, ruim je kamer eens op!

d)

Tim ruim je kamer eens op!

108.

Waar staan de aanhalingstekens in de onderstaande zin?


Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, je weet dat ik dat vies vind

a)

Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, 'je weet dat ik dat vies vind.'

b)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie', riep Koen, je weet dat ik dat vies vind.

c)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, je weet dat ik dat vies vind.'

d)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie,' riep Koen, 'je weet dat ik dat vies vind.'

109.

Welke zin is juist?

a)

Ik weet niet of dat mag!, zei Mark tegen Thymo.

b)

"Ik weet niet of dat mag!', zei Mark tegen Thymo.

c)

'Ik weet niet of dat mag!' zei Mark tegen Thymo.

d)

'Ik weet niet of dat mag!' zei, Mark tegen Thymo.

110.

Een ... is een woord dat de betekenis van een ander woord volledig omvat, maar geen synoniem is van dat andere woord. Het ... heeft hierdoor altijd een ruimere betekenis dan het onderliggende woord.

Openbaar vervoer is een ... voor de bus, de trein, de metro ...

a)

hyperoniem

b)

hyponiem

111.

Een ... is een woord dat een onderliggend begrip ten opzichte van een ander woord uitdrukt. Een ... kan samen met andere woorden onder één algemeen begrip geplaatst worden.

Cola en limonade zijn een ... van frisdrank.

a)

hyperoniem

b)

hyponiem