Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3PMW+4PMW

Total questions: 39

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Ontwikkeling van de psychische functies van de mens.

Wat is een behoefte

a)

Iets wat je nodig hebt

b)

iets wat je graag zou willen

c)

beide bovenstaande

2.

Wat is een verlangen?

a)

Iets wat je graag zou hebben

b)

iets wat je nodig hebt

c)

beide bovenstaande

3.

Behoeftenpiramide van Maslow.

Weet je nog wat de belangrijkste behoefte is?

a)

Aanzien

b)

Affectie

c)

Fysiologische behoeften

d)

Zelfactualisatie

4.

Waarvan is dit een voorbeeld:

zekerheid

a)

zelfactualisatie

b)

Aanzien

c)

Affectie

d)

Veiligheid

5.

Waarvan is dit een voorbeeld:

Levensnoodzakelijke behoeften zoals voedsel en slaap

a)

Veiligheid

b)

Affectie

c)

Fysiologische behoeften

d)

Aanzien

6.

Wat is de bovenste behoefte in de piramide

a)

Zelfactualisatie

b)

Aanzien

c)

Affectie

d)

Veiligheid

7.

Wat was de naam van de man die een behoeftepiramide maakte aanvullend op deze van Maslow?

a)

Pino

b)

Pinto

c)

Pippo

d)

Pintoi

8.

Op welke cultuur richt de piramide van Maslow zich vooral?

a)

Westerse cultuur

b)

Indische cultuur

c)

Afrikaanse cultuur

d)

Marokkaanse cultuur

9.

Over welke culturen sprak Pinto?

a)

De F en de G cultuur

b)

De A en de B cultuur

c)

De X en de Y cultuur

d)

Geen van bovenstaande

10.

Wat is er typisch voor de fijnmazige cultuur?

a)

Ruimte is belanger

b)

Losse sfeer

c)

De groepsgebondenheid

d)

Het individu

11.

Wat is er typisch voor de G cultuur?

a)

De meeste westerse culturen zijn G- culturen

b)

Mensen moeten hun gedrag grotendeels zelf bepalen

c)

Eigen waarden en normen

d)

Geen van bovenstaande

12.

Wat staat er aan de top van de Piramide van Pinto

a)

Goede naam

b)

Behagen groep

c)

Eer

d)

Primaire behoeften

13.

Waarover heb ik het hier: ... is je eigen manier van leven die afhankelijk is van je normen en waarden en de keuzes die je in de loop van je leven gemaakt hebt?

a)

Leefstijl

b)

Levensachting

c)

Levensontwikkeling

14.

Is dit een voorbeeld van een waarde of en norm: TROUW

a)

Waarde

b)

Norm

15.

Is dit een voorbeeld van een waarde of een norm. GEBOREGENHEID

a)

Waarde

b)

Norm

16.

Waarvan is dit de definitie: zijn idealen die door een bepaalde maatschappij nagestreefd worden. Ze geven weer wat een bepaalde groep juist of fout vindt.

a)

Waarde

b)

Norm

17.

Waarvan is dit een voorbeeld: je mag niemand doden.

a)

Waarde

b)

Norm

18.

Kan met 1 waarde verschillende normen overeen komen

a)

Ja

b)

Nee

19.

Waarvan is dit de definitie: Het geheel van gedachten die je over jezelf hebt over wat je goed kunt en minder goed kunt

a)

leefstijl

b)

identiteit

c)

zelfbeeld

20.

Over welk zelfbeeld gaat het hier:

Iedereen heeft een beeld van hoe hij zichzelf zou willen zien.

a)

Reële zelfbeeld

b)

Ideale zelfbeeld

21.

vul aan. Mensen met een ... zelfbeeld hebben meer kans op mislukken, voelen zich vaker onzeker, angstig,...

a)

Positief

b)

Negatief

c)

Neutraal

22.

HFST identiteit.

Over welke vorm van identiteit gaat het hier: Doordat groepen jouw leefwereld bepalen neem je automatisch dingen van hen over.

a)

Persoonlijke identiteit

b)

Wereld identiteit

c)

Culturele identiteit

d)

Sociale identiteit

23.

Is je persoonlijke identiteit een gevoel van eenheid die je behoudt in allerlei situaties?

a)

Ja

b)

Nee

24.

Waar kom je vandaan, wat is je geloofsovertuiging, ben je hiphopper of alternatieveling??? Al deze vragen hebben betrekking op je...

a)

Persoonlijke identeit

b)

Sociale identiteit

25.

.... zijn groepen die een invloed uitoefenen op je identiteit

a)

Persoonlijkheidgroepen

b)

Identificatiegroepen

c)

Managementgroepen

26.

Geef een ander woord voor biologisch geslacht

a)

gender

b)

sekse

c)

intersekse

d)

alle bovenstaande

27.

Over welke vorm van identiteit gaat het hier: het gevoel dat je tot een bepaald land behoort

a)

Nationale identiteit

b)

Ethnische identiteit

c)

Religieuze identiteit

d)

Geen van bovenstaande

28.

Tijdens welke periode in je leven komt de identiteitsvorming in een stroomversnelling?

a)

baby

b)

kleuter

c)

lager school kind

d)

adolescentie

29.

Wat klopt niet in verband met puberteit

a)

Het geheel van lichamelijke en psychosociale veranderingen die zich tijdens de adolescentie voordoen

b)

Gaat vaak samen met identiteitscrisis

c)

Leeftijdsgenoten gaan steeds grotere rol spelen

d)

Alle bovenstaande

30.

DIVERSITEIT. Welke vorm van diversiteit valt niet op.

a)

leeftijd

b)

politieke voorkeur

c)

geslacht

d)

lichamelijke handicap

31.

Met welke kleur wordt homoseksualiteit meestal geassocieerd?

a)

Roze

b)

Paars

c)

Geel

d)

Regenboos

32.

Hoe noemen we personen die uit een ander land komen

a)

Allochtoon

b)

Autochtoon

33.

Diversiteit zorg voor rijkdom. Wat klopt niet?

a)

Betere communicatieve vaardigheden

b)

Beter aanpassingsvermogen

c)

Bredere kijk op de wereld

d)

Alle bovenstaande zijn correct

34.

Is er een verband tussen identiteit en diversiteit.

a)

Ja

b)

Nee

35.

Rechten van het kind.

Hoe zagen de mensen het kind in de 16de eeuw?

a)

Goed

b)

Slecht

36.

In welke jaren was er vooral een autoritaire opvoeding?

a)

16de eeuw

b)

Jaren 50

c)

Jaren 70

d)

Andere

37.

Wat is geen mijlpaal in de ontwikkeling van de mensenrechten

a)

Magna Carta

b)

Verslag genève

c)

Franse revolute

d)

Onafhankelijkheidsverklaring

38.

Waarvoor staat de afkorting EVRM

a)

Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

b)

Europese verklaring rechten mens

c)

Europees verdrag rechten mens

d)

geen van bovenstaande.

39.

Zie je het examen zitten?

a)

ja

b)

nee