wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5V Thema 1 t/m 5

Total questions: 22

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaan de myelineschedes?

a)

cellen van Schwann

b)

myeline

c)

Ranvier cellen

d)

spiervezels

2.

In welk deel van het zenuwstelsel kom je de neurotransmitter acetylcholine tegen?

a)

sympatische deel van het autonome zenuwstelsel

b)

parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel

c)

sympatische deel van het animale zenuwstelsel

d)

parasympatische deel van het animale zenuwstelsel

3.

Bij welke gedeeltes van het actiepotentiaal zijn de Na-poorten gesloten?

a)

rustfase

b)

depolarisatie

c)

repolarisatie

d)

hyperpolarisatie

4.

In welke tabel vind je de kniepeesreflex?

a)

87A

b)

88A

c)

88K

d)

89A

5.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

6.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

7.
Waar begint de reflexboog van de pupilreflex?
a)
In de iris 
b)
In het netvlies 
c)
In de lens
8.

Als bij scheelzien van één van de ogen naar binnen afwijkt is er sprake van convergent scheelzien (esotropie). Door een chirurgische ingreep kan scheelzien worden hersteld. De oogspieren (binnenste zijdelingse en buitenste zijdelingse oogspieren) kunnen hierbij worden verlengd of verkort. Welke ingreep kan mogelijk esotropie verhelpen?

a)

alleen het inkorten van beide zijdelingse oogspieren

b)

alleen het verlengen van beide zijdelingse oogspieren

c)

het inkorten van de binnenste zijdelingse oogspier en het verlengen van de buitenste zijdelingse oogspier

d)

het verlengen van de binnenste zijdelingse oogspier en het verkorten van de buitenste zijdelingse oogspier

9.

Duiven

Als een duif elke keer beloond wordt wanneer hij zijn veren poetst, zal het poetsgedrag toenemen. Een duivenfokker besluit om met een paartje waarbij het poetsgedrag door conditionering is toegenomen, verder te fokken. Hij kiest hiervoor een paartje duiven waarbij het conditioneren het beste gelukt is. Hij hoopt zo een ras te fokken met extra veel poetsgedrag, vergeleken met willekeurige duiven.


Drie uitspraken hierover:

I De nakomelingen van het fokpaartje zullen uit zichzelf niet meer poetsen dan de nakomelingen van twee willekeurige duiven.

II Het fokpaartje heeft het vermogen om te leren extra te poetsen. Er is dus een kans dat hun nakomelingen extra poetsen, zonder dit te leren.

III De kans dat de nakomelingen geconditioneerd kunnen worden op extra veel poetsgedrag is groter dan bij nakomelingen van twee willekeurige duiven.


Welke uitspraak/uitspraken is/zijn juist?

(a)  

10.

Roodborstmannetjes kunnen in de paartijd erg agressief verdrag vertonen, zelfs richting een bosje rode veren.

Welke interne factor bepaalt of het roodborstmannetje agressief wordt?

(a)  

11.

Elk varken heeft in zijn snuit een zogenaamde wroetschijf. Met deze schijf, die veel zintuigen bevat, onderzoekt het dier in een natuurlijke omgeving de grond. Hij zoekt naar voedsel, maar in een hok met een roostervloer valt niet veel te onderzoeken. Een varken begint dan bij een soortgenoot te wroeten en te knabbelen. Het knabbelen gaat over in bijten in de staart. Proeft een varken eenmaal bloed, dan ontstaat jachtgedrag dat typisch is voor varkens, want varkens eten ook vlees. Een aangevreten varken wordt nagejaagd en nog verder aangevreten.


Tot welk soort gedrag behoort het wroeten?

a)

Territoriumgedrag

b)

Verzorgingsgedrag

c)

Fourageergedrag (voedselzoekgedrag)

d)

Voortplantingsgedrag

12.

Een zwerfkat die al eens eerder gevangen is, zal moeilijker te vangen zijn dan een zwerfkat die niet eerder gevangen is.

Als deze veronderstelling juist is, op welk type leerproces is dit deel van het gedrag van katten dan gebaseerd?

a)

Conditionering

b)

Gewenning

c)

Imitatie

d)

Inprenting

13.

Tijdens het fotosyntheseproces wordt CO2 gebruikt voor de synthese van suikers in ...

a)

de lichtreactie

b)

de elektronentransportketen

c)

de Calvincyclus

d)

de citroenzuurcyclus

14.

De gisting levert per molecuul glucose minder energie op dan de aerobe celademhaling, doordat bij de gisting ...

a)

per molecuul glucose minder dehydrogenaties gebeuren

b)

geen waterstofacceptor beschikbaar is

c)

geen koolstofdioxide aan pyruvaat wordt onttrokken

d)

per molecuul glucose minder pyruvaat wordt gevormd

15.

Tijdens een experiment overdag stoot een plant O2 uit.

Wat kun je zeggen over de concentratie CO2 in het grondplasma van groene cellen van deze plant, ten opzichte van de concentratie CO2 in de celwanden?

a)

Die is even groot in het grondplasma als in de celwanden.

b)

Die is lager in het grondplasma dan in de celwanden

c)

Die is lager in de celwanden dan in het grondplasma

16.

Het uiteinde van de 'ruggengraat' van DNA met een fosfaatgroep is het (1). Aan de andere kant van dezelfde streng zit een (2).

a)

(1) 3'-uiteinde, (2) eiwit

b)

(1) 5'-uiteinde, (2) eiwit

c)

(1) 3'-uiteinde, (2) suikergroep

d)

(1) 5'-uiteinde, (2) suikergroep

17.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een (1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan (2)

a)

(1) repressor, (2) stimuleren

b)

(1) repressor, (2) blokkeren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

18.

Welke DNA-streng wordt afgelezen bij de transcriptie/ aanmaak van mRNA? Is dat voor alle genen dezelfde streng?

a)

De coderende streng, niet hetzelfde

b)

De template-streng, altijd hetzelfde

c)

De coderende streng, altijd hetzelfde

d)

De template-streng, niet hetzelfde

19.

Auxines zijn verantwoordelijk voor de ___________ van een plant

a)

Kleurverandering

b)

transportregeling

c)

Rijping

d)

Groei

20.

Wat is de naam van onderdeel B?

a)

Xyleem

b)

Floëem

c)

Cambium

d)

Bandje van Caspari

21.

Aardbeienplanten worden soms in kassen verbouwd. Deze plantjes staan in de kas in vochtige grond. Op een moment zijn aan de bladranden kleine vochtdruppeltjes te zien die uit de bladeren tevoorschijn komen.

Met betrekking tot de kas zijn de volgende omstandigheden mogelijk.


1 De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.

2 De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.

3 De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.

4 De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.


In welke van deze omstandigheden is de kans het grootst dat aan de bladrand druppeltjes tevoorschijn komen?

a)

In situatie 1

b)

In situatie 2

c)

In situatie 3

d)

In situatie 4

22.

Een bepaalde struik leeft in een gebied met gemiddeld hoge jaartemperaturen, af en toe regen in de winter en het voorjaar, en kurkdroge zomers. Deze struik heeft een rustperiode.


In welke periode is deze struik in rust en waaruit kan dat blijken?

a)

in de winter; de struik vormt daarvoor zaden

b)

in de winter; de struik laat daarvoor zijn blad vallen

c)

in de zomer; de struik laat daarvoor zijn blad vallen