wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling _ H6 Import export

Total questions: 15

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Een open economie is ...


(kies het beste antwoord)

a)

een economie met veel import en export.

b)

een economie zonder dak.

c)

een economie met relatief veel import en export

d)

een economie met havens en vliegvelden.

2.
Goederen en diensten verkopen aan buitenlandse bedrijven en personen
a)
directe ruil
b)
indirecte ruil
c)
export
d)
import
3.
goederen en diensten kopen uit het buitenland
a)
importeren
b)
exporteren
c)
importquote
d)
exportquote
4.

Meer export betekent voor Nederland ...

a)

meer productie en toename van de werkloosheid

b)

minder productie en een daling van de werkloosheid

c)

toename van de werkgelegenheid

d)

daling van de werkgelegenheid

5.

De EU heeft een interne markt. Wat is geen kenmerk van een interne markt?

a)

Vrij verkeer van goederen en diensten

b)

Vrij verkeer van personen

c)

Vrij verkeer van kapitaal

d)

De euro

6.

Bereken de importquote voor Mexico. (alleen antwoord afgerond op 1 decimaal)

(a)  

7.

Bereken de exportquote voor Guatemala (alleen antwoord op 1 decimaal afgerond)

(a)  

8.

Wat is een juist voorbeeld van een collectief goed

a)

straatverlichting

b)

stadsbus

c)

boek in de bibliotheek

d)

seizoenskaart voor Ajax

9.

Welk begrip wordt hier bedoeld? : Vernieuwingen in producten of in het productieproces.

a)

Rendement

b)

omslagstelsel

c)

innovaties

10.
een land met weinig in- en uitvoer t.o.v. het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
open economie
d)
gesloten economie
11.
De totale uitvoerwaarde als % van het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
brutowinstpercentage
d)
betalingsbalans
12.

de collectieve sector bestaat uit

a)

lagere overheden en het rijk

b)

Het Rijk en de overheid

c)

het rijk en de sociale fondsen

d)

de overheid en de sociale fondsen

13.

een hogere accijns zorgt voor

a)

toename van de vraag

b)

toename van aanbod

c)

hogere kosten

d)

lagere prijzen

14.

het rijk bestaat uit...

a)

provincies, gemeenten en waterschappen

b)

provincies, regering, parlement en waterschappen

c)

regering, parlement en ministeries

d)

regering, parlement, provincies en ministeries

15.

externe effecten zijn altijd negatief

a)

juist

b)

onjuist