wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leesvaardigheid

Total questions: 13

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Bij globaal lezen lees ik:

a)

De titel

b)

De tussenkopjes

c)

Grote stukken uit de tekst

d)

De hele tekst

e)

Eerste en/of laatste zinnen van alinea's

2.

Bij........ lees ik de hele tekst en maak ik aantekeningen om het te onthouden.

a)

Studerend lezen

b)

Intensief lezen

c)

Zoekend lezen

d)

Kritisch lezen

3.

Een nieuwsbericht heeft de functie:

a)

Activeren

b)

Overtuigen

c)

Amuseren

d)

Informeren

4.

Welke teksten hebben als doel 'overtuigen'?

a)

Recensie

b)

Krantenbericht

c)

Betoog

d)

Column

5.

Welke teksten hebben als functie amuseren?

a)

Sollicitatiebrief

b)

Strip

c)

Gedicht

d)

Handleiding

6.

Geef een voorbeeld van een activerende tekst

4 lines
7.

Wat is het signaalwoord?

'De schone was hangt buiten te drogen omdat de droger stuk is.'

a)

Schone

b)

Drogen

c)

Omdat

d)

Hangt

8.

Wat is het signaalwoord en tekst verband?

Ik heb vijf katten. Lydia daarentegen heeft er maar twee.

a)

Daarentegen - opsomming

b)

Maar - uitzondering

c)

Maar - tegenstelling

d)

Daarentegen - tegenstelling

9.

Wat is het signaalwoord en het tekstverband?

'Je bent geslaagd mits je allemaal voldoendes haalt.'

a)

Bent - samenvatting

b)

Mits - uitzondering

c)

Mits - voorwaarde

d)

Haalt - opsomming

10.

Wat is het verwijswoord?

Als je oud meubilair kwijt wil, moet je het op straat zetten.

4 lines
11.

Wat is het verwijswoord? Waar verwijst het naar?

Mijn broertje is heel lief. Hij geeft mij altijd een knuffel.

a)

Mijn --> broertje

b)

Heel --. lief

c)

Hij --> mijn broertje

d)

Altijd --> knuffel

12.

Er zin twee antwoorden goed.

Een hoofgedachte.....

a)

Is nooit een vraagzin

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit de tekst

c)

Staat altijd aan het einde van een tekst

d)

Staat dikgedrukt

13.

Er zijn twee antwoorden goed

Een kernzin.....

a)

Is de kern van de tekst

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit een alinea

c)

Staat meestal aan het begin of einde van een alinea

d)

Is de belangrijkste zin van de tekst