wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examenleerstof wiskunde juni

Total questions: 62

Worksheet time: 1hrs 10mins

Name
Class
Date
1.

859 dm3 = ......

a)

0,859 m3

b)

8,59 m3

c)

8590 m3

d)

859000 m3

2.

0,0005 m3 =

a)

500 mm3

b)

0,05 mm3

c)

0,00005 mm3

d)

500000 mm3

3.

630 dam3

a)

6,3 m3

b)

63000 m3

c)

630000 m3

d)

630000000 m3

4.

9,24 m3 = ......

a)

9,24 L

b)

9240 L

c)

0,0924 L

d)

0,000924 L

5.

28 mL

a)

28 mm3

b)

28 cm3

c)

28 dm3

d)

28 m3

6.

Als een punt op een gelijke afstand van de benen van een hoek ligt, dan ligt dat punt op de (a)   van die hoek.

7.

Als in een driehoek één van de hoekpunten op de middelloodlijn van de overstaande zijde ligt dan is deze driehoek (a)  

8.

Als je alle punten zoekt die op gelijke afstand liggen van twee punten A en B, dan teken je de (a)  

9.

Wat kan je besluiten over driehoek QRS als je weet dat K het snijpunt is van de middelloodlijnen van de zijden van driehoek QRS?


Driehoek QRS is (a)  

10.

Bakker Bert zoekt een standplaats voor zijn ijskraam op het buurfeest. Hij wil graag dat zijn kraam even ver staat van de schminkstand als van het springkasteel. Wat raad je hem aan te doen?


Bakker Bert moet zijn ijskraam plaatsen op de (a)   tussen beide.

11.

Bij een gelijkbenige driehoek ligt de tophoek altijd op de middelloodlijn van de basis van die driehoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

De afstand van een punt op de middelloodlijn van een lijnstuk is altijd groter dan de helft van de afstand van dat lijnstuk.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

In een gelijkzijdige driehoek zijn de middelloodlijnen van de zijden altijd concurrent ( ze snijden elkaar in één punt).

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Het snijpunt van de middelloodlijnen van de zijden van een driehoek is het middelpunt van de cirkel door de drie hoekpunten.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

In een rechthoekige driehoek ligt het snijpunt van de middelloodlijnen op de hypotenusa (schuine zijde).

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

De middelloodlijn van een zijde van een gelijkzijdige driehoek verdeelt de driehoek in twee congruente driehoeken.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

De oppervlakte van driehoek ABC is dubbel zo groot als de oppervlakte van rechthoek BDEF.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Een rechthoekige driehoek kan gelijkbenig zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Elke driehoek heeft minstens twee scherpe hoeken.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Er bestaan driehoeken met twee stompe hoeken.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

In een gelijkzijdige driehoek met tophoek van 90° zijn de basishoeken altijd 45°.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Een driehoek met drie even grote hoeken is altijd gelijkzijdig.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Driehoek ABC is een gelijkbenige driehoek waarbij de tophoek 6 keer groter is dan de basishoeken.

a)

een scherphoekige driehoek

b)

een rechthoekige driehoek

c)

een stomphoekige driehoek

d)

onmogelijk te bepalen

24.

 α,β en γ zijn de hoeken van ΔABC.\alpha,\beta\ en\ \gamma\ zijn\ de\ hoeken\ van\ \Delta ABC.  


 α=βγ\alpha=\beta-\gamma  

a)

een scherphoekige driehoek

b)

een rechthoekige driehoek

c)

een stomphoekige driehoek

d)

onmogelijk te bepalen

25.

Welke figuur is een ruit?

a)
b)
c)
d)
26.

Welke figuur is een ruit?

a)
b)
c)
d)
27.

Welke figuur is een ruit?

a)
b)
c)
d)
28.

Gegeven:
ABCD is een ruit

 \left|EH\right|=\left|EF\right|=\left|EG\right|=\left|FG\right|=\left|FI\right|  
ΔEGH≅ΔFIG
  
x=38°

Bepaal de grootte van hoek C.

a)

88°

b)

92°

c)

76°

d)

52°

29.

De ene diagonaal van een ruit is dubbel zo lang als de andere en de zijde van de ruit is even lang als de kleinste diagonaal. Bepaal de lengte van de zijde van die ruit als je weet dat de omtrek en de oppervlakte gelijk zijn.


De zijde van de ruit is ...

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

30.

De eerste zijde van een driehoek is 15 en de tweede zijde is drie keer zo lang als de derde zijde. Wat is de kleinst mogelijke omtrek van deze driehoek als je weet dat de lengte van de zijden gehele getallen zijn.


De kleinst mogelijke omtrek is (a)  

31.

Charlotte woont in vogelvlucht op 10 km van de school. 's Morgens fietst ze altijd eerst naar Kimberly waarna ze samen verder naar school fietsen. De afstand in vogelvlucht van Kimberly naar school is vijf keer zo groot als de afstand in vogelvlucht tussen de huizen van Charlotte en Kimberly.

Wat is de afstand in voelvlucht tussen het huis van Charlotte en het huis van Kimberly (werk op 1 km nauwkeurig).


De afstand tussen het huis van Charlotte en het huis van Kimberly in vogelvlucht is (a)   km.

32.

Welke zijden van een driehoek zijn mogelijk?

a)

Zijden 6 cm, 4 cm en 3 cm.

b)

Zijden 1 cm, 2 cm en 4 cm.

c)

Zijden 2 cm, 3 cm en 5 cm.

33.

Welke zijden van een driehoek zijn mogelijk?

a)

Zijden 7 cm, 4 cm en 3 cm.

b)

Zijden 4 cm, 2 cm en 1 cm.

c)

Zijden 5 cm, 4 cm en 3 cm.

34.

Welke zijden van een driehoek zijn mogelijk?

a)

Zijden 6 cm, 2 cm en 3 cm.

b)

Zijden 3 cm, 1 cm en 1 cm.

c)

Zijden 3 cm, 3 cm en 3 cm.

35.

Welke zijden van een driehoek zijn mogelijk?

a)

Zijden 9 cm, 4 cm en 4 cm.

b)

Zijden 5 cm, 1 cm en 3 cm.

c)

Zijden 5 cm, 5 cm en 2 cm.

36.

Hoeveel graden is de aangeduide hoek?

(a)  

37.

In een gelijkbenige driehoek is de bissectrice van de tophoek ook een zwaartelijn, een middelloodlijn en een hoogtelijn

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Een driehoek met een stompe hoek kan niet rechthoekig zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Er bestaan parallellogrammen met rechte hoeken.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Elke rechthoek is een parallellogram maar geen trapezium

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

Hoeveel graden is de aangeduide hoek D?

(a)  

42.

Hoeveel graden is hoek E1E_1  ?



(a)  

43.

Hoeveel graden is hoek C1C_1  ?



(a)  

44.

Hoeveel graden is hoek S?

(a)  

45.

Bepaal de grootte van hoek A als je weet dat hoek C dubbel zo groot is als hoek B.

(a)  

46.

Bepaal de grootte van hoek B.

(a)  

47.

Rechte e is de .... van hoek C.

a)

middelloodlijn

b)

bissectrice

c)

hoogtelijn

d)

zwaartelijn

48.

Rechte d is de .... van lijnstuk AC .

a)

middelloodlijn

b)

bissectrice

c)

hoogtelijn

d)

zwaartelijn

49.

Rechte f is de .... van hoek B.

a)

middelloodlijn

b)

bissectrice

c)

hoogtelijn

d)

zwaartelijn

50.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

51.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

52.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

53.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

54.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

55.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

56.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

57.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

58.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

59.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

60.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

61.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)

62.

In welk perspectief is de afbeelding getekend?

a)

natuurlijk perspectief

b)

cavalièreperspectief

c)

isometrisch perspectief

d)

projectie op een vlak (Europese projectie)