Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 1: examen 3

Total questions: 70

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Ik meld de diefstal bij de politie.

(a)  

2.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De architect (kiezen) verschillende kleuren.



(a)  

3.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Een kaartje voor de dierentuin kost 12 euro.

(a)  

4.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

De meester luidt de bel na de pauze.

(a)  

5.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De twee vrouwen (organiseren) een barbecue in de tuin.

(a)  

6.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Wij (ontmoeten) hem voor het eerst op school.

(a)  

7.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Febe (vermelden) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.

(a)  

8.

Is deze uitspraak een feit of een mening?


Ik vind dat het vandaag te warm is.

a)

een feit

b)

een mening

9.

Heeft deze zin een zijn-relatie of een doen-relatie?


Ik werd vandaag 13 jaar.

a)

zijn-relatie

b)

doen-relatie

10.

Heeft deze zin een zijn-relatie of een doen-relatie?


Ik ben ondertussen groot geworden.

a)

doen-relatie

b)

zijn-relatie

11.

Heeft deze zin een zijn-relatie of een doen-relatie?


Ik heb me echt vergist.

a)

zijn-relatie

b)

doen-relatie

12.

Welke keuze past bij deze zin?


Ik ging gisteren appelen kopen.

a)

LV = appelen

b)

LV = ik

c)

LV = gisteren

d)

O = gisteren

13.

Welke keuze past bij deze zin?


Ik waste mijn hond voor het tuinhuis.

a)

LV = mijn hond

b)

MV = voor het tuinhuis

c)

O = mijn hond

d)

LV = ik

14.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

NWD

b)

O

c)

LV

d)

MV

15.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Mijn beste vriend houdt van enge films.

Ik gaf hem daarom een dvd-box met horrorfilms.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

16.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Ik bezocht mijn oma in het ziekenhuis.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

17.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?


te gemakkelijk geld uitgeven

a)

een grote mond hebben

b)

lange vingers hebben

c)

een gat in zijn hand hebben

d)

voor de deur staan

e)

iemand op de hielen zitten

18.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?


iemand niet helpen of steunen

a)

met de gebakken peren zitten

b)

met de rug tegen de muur staan

c)

op je buik schrijven

d)

iemand in de kou laten staan

e)

iemand op de hielen zitten

19.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?


betrapt worden

a)

tegen de lamp lopen

b)

aan het lijntje houden

c)

de draad kwijt zijn

d)

iemand blij maken met een dode mus

e)

je neus ergens voor ophalen

20.

Noteer het voltooid deelwoord.


Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring (werpen).

(a)  

21.

Noteer het voltooid deelwoord.


Heb je haar een kaartje (sturen)?

(a)  

22.

Noteer het voltooid deelwoord.


De stallen worden binnenkort (slopen).

(a)  

23.

Noteer het voltooid deelwoord.


Yasin heeft zijn haar blauw (verven).

(a)  

24.

Noteer het voltooid deelwoord.


Ze is zo hard (veranderen)!

(a)  

25.

Welke signaalwoorden horen bij het opsommend verband?

a)

en - verder - bovendien - daarnaast

b)

daarentegen - in tegenstelling tot - terwijl

c)

eerst - in 1910 - later - ondertussen - nadat

d)

zodat - met als gevolg dat - uiteindelijk

26.

Juist of fout: in een tekst met het chronologisch tekstverband kan je de volgorde veranderen.

a)

Juist

b)

Fout

27.

Heeft deze tekst een opsommend of een chronologisch verband?

a)

het opsommend verband

b)

het chronologisch verband

28.

Bowling


Hoe steel je de show op de bowlingbaan?


Eerst en vooral pak je de bal goed vast. Steek daarbij je middelvinger en ringvinger in de gaten, dan je duim.

Daarna ga je klaarstaan en neem je je aanloop …

Slinger bij je eerste stap tegelijkertijd je arm naar achteren.

Vervolgens neem je de tweede stap: de bal is nu op het laagste punt van de zwaai.

Bij je derde stap is de bal op het hoogste punt.

Bij de vierde stap ga je glijden. Tegelijkertijd geef je de bal een reuzenzwaai naar voren.

Ten slotte laat je hem los, op het allerlaatste moment.

Wang! Daar rolt hij, op weg naar de pins.

Strike!!!


Uit: ZO ZIT DAT!


Welk tekstverband herken je hier?

a)

Opsommend verband

b)

Chronologisch verband

29.

Is de gekleurde zin letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Enkele klanten in het restaurant klagen over het lange wachten op hun gerecht. De ober doet water bij de wijn en geeft de klanten korting.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

30.

Lees de titel en de inleiding.

Wat is het onderwerp van deze tekst?

(a)  

31.

Lees de inleiding.

Daarin vind je vaak de hoofdgedachte van de tekst terug. Welke zin uit deze inleiding vat de tekst samen?

a)

de eerste zin

b)

de laatste zin

32.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Het voedsel (bederven), want het stond niet in de koelkast.

(a)  

33.

Noteer het voltooid deelwoord.

Heeft de leerkracht jou (bevelen) om de oefeningen af te werken?

(a)  

34.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De man (bezwijken) aan zijn verwondingen.

(a)  

35.

Noteer het voltooid deelwoord.

De maatregelen hebben lang (gelden).

(a)  

36.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Hij (genezen) snel.

(a)  

37.

Noteer het voltooid deelwoord.

De vlag werd hoog (heffen).

(a)  

38.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De meisjes (krijsen) enorm luid.

(a)  

39.

Noteer het voltooid deelwoord.

Ze hebben genoeg (lijden).

(a)  

40.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Hij (prjizen) de Heer.

(a)  

41.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Ik (treffen) hem zo aan.

(a)  

42.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord.

We gaan morgen naar zee, maar het zal regenen. Hebben we een andere keuze?

(a)  

43.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord.

Wat kunnen we doen met zulk weer?

(a)  

44.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord.

Moet ik alle activiteiten opnoemen?

(a)  

45.

Welk schooltaalwoord is synoniem voor 'bondig'?

(a)  

46.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

mislukken, verkeerd aflopen

(a)  

47.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

iemand blij maken met iets wat niet doorgaat

(a)  

48.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

iemand met opzet erg kwetsen

(a)  

49.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

lichtgeraakt zijn, snel beledigd zijn

(a)  

50.

Welke uitdrukking past bij deze betekenis?

in een heel voordelige positie zitten

(a)  

51.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

(Houden) hier rekening mee.

(a)  

52.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Ze keek naar het bericht en (antwoorden) onmiddellijk.

(a)  

53.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Het meisje is erg (schrikken).

(a)  

54.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Wat (vinden) je daar nu van?

(a)  

55.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

De directeur van de studio heeft nu eindelijk het geheim (onthullen).

(a)  

56.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Hij heeft zijn diploma (behalen).

(a)  

57.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Het kindje (beleven) een mooie dag vandaag in het pretpark.

(a)  

58.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Wat (betekenen) dat? Ik begrijp dit woord niet.

(a)  

59.

Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm: imperatief, PV t.t., PV v.t. of VD.

Ik heb dat verhaal al zoveel keer (vertellen).

(a)  

60.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Worden) je ook gek van dat werkje?

(a)  

61.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?

(a)  

62.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Rijden) jij morgen met mij mee?

(a)  

63.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Hij (houden) van speelfilms.

(a)  

64.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik was gisteren jarig.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

65.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ze gaven iedereen extra oefeningen.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

66.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Hij is moe.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

67.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Kreeg jij ook extra werk?

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

68.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De meisjes ontmoetten een nieuwe vriendin tijdens het feestje.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

69.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De leerlingen die de les moeilijk vonden, mochten naar de inhaalles.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O

70.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Vorige les gaf mevrouw extra oefeningen voor het examen aan alle leerlingen.

a)

NWD

b)

Geen enkel antwoord is juist. We kennen dit zinsdeel nog niet.

c)

LV

d)

MV

e)

O