NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsKlas 1 Hoofdstuk 6 Steden en Staten
Total questions: 17
Worksheet time: 9mins
Name
Class
Date
1.
Hoe ontstond in Europa weer een landbouwstedelijke samenleving?
a)
Boeren beperkten de landbouwgrond en gebruikten verouderde landbouwtechnieken. Hierdoor nam de opbrengst af en kromp de bevolking.
b)
Omdat geldwisselaars zich tot bankiers ontwikkelden groeide de handel in de steden.
c)
Boeren breidden de landbouwgrond uit en gebruikten nieuwe landbouwtechnieken. Hierdoor nam de opbrengst toe en groeide de bevolking. Een deel van de bevolking ging in steden wonen en leefde van handel en nijverheid.
2.
Hoe ontwikkelde de geldeconomie zich?
a)
In de steden kwamen vraag en aanbod samen op de markt waar mensen steeds meer geld gebruikten. Geldwisselaars ontwikkelden zich tot bankiers.
b)
In de nijverheid werkten ambachtslieden samen in gilden met regels voor productie en verkoop.
c)
Nederlanders handelden met Noord- en Zuid-Europa.
3.
Op welke manier was de nijverheid georganiseerd?
a)
In de nijverheid werkten ambachtslieden samen in gilden met regels voor productie en verkoop.
b)
In de steden kwamen vraag en aanbod samen op de markt waar mensen steeds meer geld gebruikten. Geldwisselaars ontwikkelden zich tot bankiers.
c)
Nederlanders handelden met Noord- en Zuid-Europa.
4.
Hoe vond internationale handel plaats?
a)
In de nijverheid werkten ambachtslieden samen in gilden met regels voor productie en verkoop.
b)
Nederlanders handelden met Noord- en Zuid-Europa. Handelssteden aan de Noordzee en Oostzee werkten samen in de Hanze.
c)
In de steden kwamen vraag en aanbod samen op de markt waar mensen steeds meer geld gebruikten. Geldwisselaars ontwikkelden zich tot bankiers.
5.
Op welke manier werd Holland belangrijk?
a)
In de tijd van steden en staten breidden de graven van Holland hun gebied en macht uit.
b)
Steden kregen stadsrechten van vorsten en hoge edelen. Burgers mochten stadsmuren bouwen en hun stad besturen volgens hun eigen stadswetten. Daarom verdween de horigheid.
c)
Steden werden bestuurd door schepenen die ook rechtspraken.
6.
Hoe kregen steden stadsrechten?
a)
In de tijd van steden en staten breidden de graven van Holland hun gebied en macht uit.
b)
Steden kregen stadsrechten van vorsten en hoge edelen. Burgers mochten stadsmuren bouwen en hun stad besturen volgens hun eigen stadswetten. Daarom verdween de horigheid.
c)
Steden werden bestuurd door schepenen die ook rechtspraken.
7.
Hoe bestuurden burgers hun steden?
a)
In de tijd van steden en staten breidden de graven van Holland hun gebied en macht uit.
b)
Steden kregen stadsrechten van vorsten en hoge edelen. Burgers mochten stadsmuren bouwen en hun stad besturen volgens hun eigen stadswetten. Daarom verdween de horigheid.
c)
Steden werden bestuurd door schepenen die ook rechtspraken. In Holland was de burgemeester de hoogste bestuurder. De vroedschap adviseerde en controleerde het stadsbestuur.
8.
Hoe werden steden zelfstandiger en verloren edelen hun macht?
a)
In de tijd van steden en staten breidden de graven van Holland hun gebied en macht uit.
b)
Steden kregen stadsrechten van vorsten en hoge edelen. Burgers mochten stadsmuren bouwen en hun stad besturen volgens hun eigen stadswetten. Daarom verdween de horigheid.
c)
Door de groeiende zelfstandigheid en macht van steden werde lage edelen minder machtig.
9.
Welke soorten kerken werden er gebouwd door christenen?
a)
In Europa werden kerken gebouwd in twee stijlen: de romaanse (1000-1200) en de gotische (1200-1500).
b)
In Europa werden kerken gebouwd in twee stijlen: de Ionische en de Korintische
c)
In Europa werden kerken gebouwd in twee stijlen: De Romijnse stijl en de Byzantijnse stijl
10.
Hoe godsdienstig waren christenen en hoe machtig was de kerk daardoor?
a)
De kerk leerde mensen dat zij veel keuzevrijheid hadden en gaf de zekerheid dat zij naar de hemel zouden gaan.
b)
De kerk leerde dat mensen na de dood naar de hemel of naar de hel gingen. Daarom baden mensen veel en kochten zij aflaten om de tijd in de hel te verkorten.
11.
Hoe traden christenen op tegen mensen die zich niet gedroegen volgens de normen van de kerk?
a)
De kerk trad hard op tegen mensen met afwijkend gedrag of afwijkende ideeën. Christenen gaven joden een aparte positie in de samenleving.
b)
Christen accepteerden mensen met andere ideeën.
c)
Mensen met andere ideeën werden als een voorbeeld gezien voor het christendom.
12.
Hoe werden Duitse koningen minder machtig?
a)
Koningen van het Duitse rijk werden gekozen door de bisschoppen. Duitse koningen werden minder machtig toen de paus de bisschoppen ontsloeg.
b)
Koningen van het Duitse rijk werden gekozen door de paus. Duitse koningen werden minder machtig toen de paus stopte met het benoemen van bisschoppen.
c)
Koningen van het Duitse rijk werden gekozen door keurvorsten. Duitse koningen werden minder machtig toen ze van de paus geen bisschoppen meer mochten benoemen.
13.
Hoe kregen Engelse, Franse en Bourgondische vorsten meer macht?
a)
Vorsten riepen vertegenwoordigers van de drie standen bijeen voor advies en geld.
b)
Met geld van burgers gingen de Engelse, Franse en Bourgondische vorsten hun landen meer als eenheid besturen vanuit een hoofdstad.
14.
Hoe werkten vorsten samen met de drie standen?
a)
Vorsten riepen vertegenwoordigers van de drie standen bijeen voor advies en geld.
b)
Met geld van burgers gingen de Engelse, Franse en Bourgondische vorsten hun landen meer als eenheid besturen vanuit een hoofdstad.
15.
Hoe ontstonden de kruistochten?
a)
De kruistochten begonnen na een oproep van de paus in 1095. De Byzantijnse keizer had hulp gevraagd tegen islamitisch-Turkse veroveraars.
b)
De kruistochten begonnen na een oproep van de Duitse koning in 1095. De Romeinse keizer had hulp gevraagd tegen islamitisch-Turkse veroveraars.
c)
De kruistochten begonnen na een oproep van de hertog van Bourgondië in 1095. De Duitse keizer had hulp gevraagd tegen islamitisch-Turkse veroveraars.
16.
Hoe verliep de eerte kruitstocht?
a)
Kruisvaarders uit Europa trokken naar het westen. Ze veroverden Constantinopel en gebieden langs de oostkust van de Middellandse Zee waar ze twintig staten stichtten.
b)
Kruisvaarders uit Europa trokken naar het noorden. Ze veroverden Parijs en gebieden langs de Noordzee waar ze tien staten stichtten.
c)
Kruisvaarders uit Europa trokken naar het oosten. Ze veroverden Jeruzalem en gebieden langs de oostkust van de Middellandse Zee waar ze vier staten stichtten.
17.
Welke contacten waren er tussen kruisvaarders en Arabieren?
a)
Bijna twee eeuwen lang was er veel strijd tussen Europeanen en Arabieren om de kruisvaardersstaten. Maar er was ook handel tussen de twee groepen.
b)
Bijna twee eeuwen lang was er veel handel tussen Europeanen en Arabieren om de kruisvaardersstaten. Maar er was ook strijd tussen de twee groepen.
c)
Bijna twee eeuwen lang was er veel strijd tussen Europeanen en Arabieren om de kruisvaardersstaten. Er was géén handel tussen de twee groepen.
Reset
