wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefenen toets leerjaar 3 (1)

Total questions: 38

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Je verkent een tekst door te kijken naar

a)

de titel.

b)

de deelonderwerpen.

c)

de bron.

d)

de signaalwoorden.

e)

de afbeeldingen.

2.

Als het tekstdoel informeren is, is de tekstsoort een:

a)

amuserende tekst.

b)

activerende tekst.

c)

informerende tekst.

d)

uiteenzettende tekst.

3.

Het onderwerp van de tekst kun je bepalen door

a)

zoekend te lezen.

b)

grondig te lezen.

c)

verkennend te lezen.

d)

globaal te lezen.

4.

Een deelonderwerp is het onderwerp van

a)

de hele tekst.

b)

één of een paar alinea's in de tekst.

c)

altijd één alinea in de tekst.

5.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
6.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
a)
fout
b)
goed
7.
Ook een dubbele punt (:) kan aangeven dat er voorbeelden volgen
a)
fout
b)
goed
8.
De hoofdgedachte staat meestal in de
a)
middenstuk-slot
b)
inleiding of in het slot.
c)
inleiding- middenstuk
9.
Je leest de tekst dan van het begin tot aan het eind goed door.
a)
globaal lezen
b)
zoekend lezen
c)
precies lezen
10.
Een  hoofdgedachte is:
a)
een samenvatting van de tekst in één zin
b)
hetzelfde als een hoofdzaak
c)
het onderwerp van de tekst
11.
Het woord 'maar' duidt op het volgende tekstverband:
a)
opsomming
b)
vergelijking
c)
tegenstelling
d)
uitzondering
12.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

13.

Het tekstdoel van een reclametekst is...

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

activeren

d)

amuseren

14.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
15.

Wanneer lees je zoekend?

a)

Als je een samenvatting maakt

b)

Als je iets snel wilt opzoeken

16.
'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan
a)
Ja dat is waar
b)
Nee dat is niet waar
17.

Welke signaalwoorden geven een tegenstelling weer?

a)

al met al

b)

hoewel

c)

maar

d)

tevens

e)

uiteindelijk

18.

Met de auto ben je sneller op je bestemming. Bovendien reis je comfortabel. Welk verband staat in deze zinnen?

a)

oorzaak-gevolg

b)

opsomming

c)

tegenstelling

19.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

20.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

21.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Doel-middel

b)

Toelichtend

c)

Oorzakelijk

d)

Voorwaardelijk

22.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'toch'?

a)

Tegenstellend

b)

Voorwaardelijk

c)

Opsommend

d)

Concluderend

23.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

24.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Redengevend

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Toelichtend

25.

Waarmee begin je een zakelijke brief?

a)

je naam

b)

je voor- en achternaam

c)

je voor- en achternaam + adres

d)

je achternaam + adres

26.

Waar moet je op letten als je Plaats, datum schrijft?

a)

dat je een komma gebruikt na de plaatsnaam

b)

dat je de maand met letters schrijft

c)

het jaartal met 4 cijfers schrijft

d)

komma na de plaatsnaam - maand in letters - jaartal met 4 cijfers

27.

Welke slotgroet is goed?

a)

met vriendelijke groet

b)

met vriendelijke groet,

c)

Met vriendelijke groet

d)

Met vriendelijke groet,

28.

Wat hoort er in de inleiding?

a)

jezelf voorstellen

b)

de reden waarom je de brief schrijft

c)

jezelf voorstellen + de reden waarom je de brief schrijft

d)

jezelf voorstellen + wat je zelf er in wilt zetten

29.

Wat schrijf je in het middenstuk

a)

de reden waarom je de brief schrijft

b)

wat er gebeurd is

c)

de verplichte onderdelen die in de opdracht staan over wat er gebeurd is en wat jij wil bereiken met de brief

d)

de verplichte onderdelen die in de opdracht staan

30.

Wat schrijf je in je slot

a)

je bedankt ze voor hun moeite + je vraagt om een reactie binnen een bepaalde tijd

b)

je vraagt om een reactie binnen een bepaalde tijd

c)

je geeft aan wat je wilt dat er moet gebeuren

d)

je bedankt ze voor hun moeite

31.

Hoeveel regels sla je over na je eigen naam + adres?

a)

1

b)

2

c)

3

32.

Hoeveel regels sla je over na de naam + adres van de persoon/organisatie naar wie je schrijft?

a)

2

b)

1

c)

3

33.

Hoeveel regels sla je over na Plaats, datum?

a)

3

b)

1

c)

2

34.

Welke aanhef is goed?

a)

Geachte meneer/mevrouw,

b)

Geachte meneer/mevrouw

c)

geachte meneer/mevrouw,

d)

geachte meneer/mevrouw

35.

Hoeveel regels sla je over na je aanhef?

a)

1

b)

2

c)

3

36.

Hoeveel regels sla je over na je inleiding, middensruk en slot?

a)

3

b)

2

c)

1

37.

Wat is de goede volgorde?

a)

Met vriendelijke groet, voor- en achternaam, handtekening

b)

handtekening, voor- en achternaam, Met vriendelijke groet

c)

voor- en achternaam, Met vriendelijke groet, handtekening

d)

Met vriendelijke groet, handtekening, voor- en achternaam

38.

Wat voor taal gebruik je in een zakelijke brief

a)

formele taal (nette taal)

b)

straattaal

c)

informele taal (persoonlijke taal)

d)

gewone taal