wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefenen toets lj.1 (1)

Total questions: 45

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
2.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
3.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Jonge kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

4.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Kleine kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

5.

Een folder over tandhygiëne wil jou ...

a)

Amuseren

b)

Informeren

c)

Overtuigen

6.

Welke tekstsoort wil jou informeren?

a)

Krantenartikel

b)

Strip

c)

Flyer chirofuif

7.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

8.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

9.
Kies de juiste verwijswoorden:
De oude man, die jarig was, heeft het opgegeten.
a)
De
b)
die
c)
het
d)
die/het
10.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
a)
daar
b)
die
c)
hun
d)
lampen
11.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
12.
Je leest de tekst dan van het begin tot aan het eind goed door.
a)
globaal lezen
b)
zoekend lezen
c)
precies lezen
13.
Je hoeft dan niet de hele tekst te lezen, maar alleen het stukje tekst dat je nodig hebt.
a)
globaal lezen
b)
precies lezen
c)
zoekend lezen
14.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
15.
Wat is een alinea?
a)
een tussenkopje
b)
een inleiding
c)
een stukje tekst dat bij elkaar hoort
d)
een titel
16.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

adviseren

17.

Als je verkennend leest dan ...

a)

lees je alsof je voor een toets leert.

b)

bekijk je de tekst en lees die niet echt.

c)

heb je een vraag en wil je snel het antwoord weten.

18.

Veel teksten bestaan uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

19.

Wat doe je als je de tekst globaal leest?

a)

Je leest de hele tekst

b)

Je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea's

20.

Die film duurt 160 minuten.

a)

Feit

b)

Mening

21.

Gamen is tijdverlies.

a)

Feit

b)

Mening

22.

Jan werkt veel te hard.

a)

Feit

b)

Mening

23.

De bakker had niets gebakken, omdat hij ziek was.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

24.

Toen Chloé koekjes wou maken voor mama, bakte ze er niets van. Alle koekjes waren aangebrand.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

25.

Mijn papa gaat altijd met de kippen op stok. Hij moet 's ochtends vroeg op.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

26.

De kapper zit met haar handen in mijn haar.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

27.

Toen ik van de juf die moeilijke opdracht kreeg, zat ik met de handen in het haar.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

28.

Kruis de juiste betekenis aan.

Papa is snel op zijn tenen getrapt.

a)

Papa heeft grote tenen waardoor mensen per ongeluk op zijn tenen trappen.

b)

Papa wordt snel boos.

c)

Papa kan snel lopen.

29.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vakantie staat voor de deur.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
c)
geen idee juf
30.

Vul de persoonsvorm tt in.

De leerling (overleggen) met het groepje over de opdracht van Nederlands.

a)

overlegd

b)

overlegt

c)

overleggen

31.

Vul de persoonsvorm tt in.

Marcel (vinden) de opdracht leuk.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

32.

Vul de persoonsvorm tt in.

Ik (rijden) vandaag met de fiets naar huis.

a)

rijd

b)

rijden

c)

rijdt

33.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (worden) altijd weggebracht als het regent.

a)

word

b)

wordt

c)

worden

34.

Vul de persoonsvorm tt in.

Waar (bewaren) John zijn laptop?

a)

bewaar

b)

bewaard

c)

bewaart

35.
De directeur (bellen) op om te vragen of de verwarming het deed. (V.T.)
a)
belt
b)
belde
c)
beldde
d)
beldt
36.
Met een mooie boog (landen) het blok hout bovenop de brandende stapel. (V.T.)
a)
lande
b)
land
c)
landt
d)
landde
37.

Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefdt

38.

Jitse (plakken, vt) de postzegels in het boek.

a)

plakte

b)

plakde

c)

plaktte

39.

Vorig jaar ........ Thomas in Nice een paar vrienden.

a)

ontmoet

b)

ontmoeten

c)

ontmoette

40.

Welke namen zijn juist geschreven?

a)

Mevrouw van der Berg

b)

Mevrouw Van der Berg

c)

Mevrouw J. van der Berg

d)

Mevrouw J. Van der Berg

41.

Welke zin is juist geschreven?

a)

'S middag ben ik vrij.

b)

's Middags ben ik vrij.

c)

3 Uur 's middags ben ik vrij.

42.

Welke (afleidingen van) feestdagen zijn juist geschreven?

a)

Het is Kerstmis

b)

Het is Moederdag

c)

Mijn Paasvakantie

d)

Mijn Halloweenoutfit

43.

Suikerfeest

a)

goed

b)

fout

44.

Hoofdletter?

a)

zingen

b)

antwoorden

c)

appel

d)

tweede wereldoorlog

45.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

deze man komt uit mexico

a)

deze

b)

man

c)

komt

d)

uit

e)

mexico