wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ne leesvaardigheid 1-3M

Total questions: 41

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

2.

Scannend lezen, Zoekend lezen en Grondig lezen noemen we?

a)

vervelend

b)

teksstructuren

c)

leesstrategieën

3.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
4.

Om het onderwerp te vinden, lees je de tekst

a)

precies.

b)

zoekend.

c)

globaal.

d)

oriënterend.

5.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
6.

Om de hoofdgedachte te vinden, lees je de tekst

a)

precies.

b)

zoekend.

c)

globaal.

d)

oriënterend.

7.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
8.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

9.

Wat hoort allemaal bij oriënterend lezen? Vink dat aan.

a)

Eerste en laatste zin van elke alinea lezen.

b)

Bekijk de titel en afbeelding.

c)

Lees de eerste alinea.

d)

Zoek in elke alinea de kernzin.

e)

Bekijk tussenkopjes en anders gedrukte woorden.

10.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
11.

Wat is de woordraadstrategie?

a)

Hiermee kun je woorden leren kennen.

b)

Hiermee kun je woorden beter onthouden.

c)

Hiermee kun je de betekenis van woorden uit de tekst ontdekken.

d)

Hiermee kun je woorden leren onthouden.

12.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

13.

Welke twee belangrijke functies heeft de inleiding van een tekst?

a)

het belangrijkste van de tekst vertellen

b)

de lezer nieuwsgierig maken

c)

het onderwerp introduceren

d)

alvast in het kort uitleggen wat er in het middenstuk verteld wordt

14.
Eén van de opties hieronder is geen tekstdoel. Welke?
a)
Informeren
b)
Instructie geven
c)
Verwijzen
d)
Overtuigen
15.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

16.
Waaraan kun je zien of een tekst betrouwbaar is?
a)
Lettertype
b)
Datum
c)
Woonplaats van de schrijver
d)
Hoeveelheid woorden
17.

Welke uitspraken zijn juist?

De informatie in een tekst is betrouwbaarder als....

a)

de bron belang heeft bij een bepaalde voorstelling van zaken.

b)

de bron van de tekst bekend is.

c)

de bron verstand heeft van het onderwerp.

d)

de informatie in elk geval ouder is dan één week.

e)

de informatie te controleren is.

18.

Omdat, daarom, en, zoals, ten eerste, toch, vervolgens, ook, doordat enz zijn signaalwoorden.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Het waaide erg hard, toch gingen ze een boswandeling maken.

Vul in: het signaalwoord, verband. (let op komma dan spatie)

(a)  

20.

Zij heeft evenals haar moeder erg lang, bruin, golvend haar.

Wat is het signaalwoord in deze zin?

a)

haar moeder

b)

evenals

c)

golvend haar

21.

Zij heeft evenals haar moeder erg lang, bruin, golvend haar.

Wat is het tekstverband

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

vergelijking

22.

Wat lees je vaak in het slot van een tekst? Vink aan:

a)

Samenvatting

b)

Een voorbeeld of anekdote

c)

Iets om het verhaal rond te maken

d)

Introductie van een deelonderwerp

e)

Conclusie

23.

Alle teksten hebben een slot:

a)

Ja natuurlijk!

b)

Nee, een nieuwsbericht bijv. vaak niet.

24.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
25.
Lees de eerste en laatste zin van iedere alinea. • Ga na wat er in de verschillende alinea’s over het onderwerp staat. • Bekijk welke alinea’s over hetzelfde deel van het onderwerp gaan. Let vooral goed op de eerste zin van een alinea. Zo vind je
a)
het onderwerp
b)
hoofdgedachte
c)
deelonderwerpen
26.

Er zin twee antwoorden goed.

Een hoofgedachte.....

a)

Is nooit een vraagzin

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit de tekst

c)

Staat altijd aan het einde van een tekst

d)

Staat dikgedrukt

27.

Wat is een anekdote?

a)

iets wat in het nieuws is

b)

de aanleiding om een tekst te schrijven

c)

een (grappig) verhaaltje

d)

een grap

28.

Een deelonderwerp bestaat uit

a)

1 of meer alinea's

b)

maximaal 1 alinea

c)

minimaal 2 alinea's

29.

Er zijn twee antwoorden goed

Een kernzin.....

a)

Is de kern van de tekst

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit een alinea

c)

Staat meestal aan het begin of einde van een alinea

d)

Is de belangrijkste zin van de tekst

30.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de eerste zin van de alinea. Wil je snel de belangrijkste informatie uit een tekst halen, lees dan de tekst .............? Je leest dan de eerste en de laatste zin van de alinea’s.
a)
oriënterend
b)
zoekend
c)
globaal
d)
precies
31.
Soms gaat één alinea over één deelonderwerp, soms gaan meer alinea’s over één deelonderwerp. In dat laatste geval staat boven het tekstgedeelte vaak een
a)
cursief woord
b)
tussenkopje
c)
het onderwerp
32.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de laatste zin van de alinea.
a)
dit is goed
b)
fout, het is de eerste zin
33.

Wat is het doel van globaal lezen?

a)

de hoofdgedachte vinden

b)

het onderwerp vinden

c)

de deelonderwerpen vinden

d)

iets anders vinden, bijvoorbeeld iemands geboortedatum

34.

Een nieuwsbericht heeft de functie:

a)

Activeren

b)

Overtuigen

c)

Amuseren

d)

Informeren

35.

Welke teksten hebben als doel 'overtuigen'?

a)

Recensie

b)

Krantenbericht

c)

Betoog

d)

Column

36.

Welke teksten hebben als functie amuseren?

a)

Sollicitatiebrief

b)

Strip

c)

Gedicht

d)

Handleiding

37.

Wat is het signaalwoord?

'De schone was hangt buiten te drogen omdat de droger stuk is.'

a)

Schone

b)

Drogen

c)

Omdat

d)

Hangt

38.

Wat is het signaalwoord en tekst verband?

Ik heb vijf katten. Lydia daarentegen heeft er maar twee.

a)

Daarentegen - opsomming

b)

Maar - uitzondering

c)

Maar - tegenstelling

d)

Daarentegen - tegenstelling

39.

Wat is het signaalwoord en het tekstverband?

'Je bent geslaagd mits je allemaal voldoendes haalt.'

a)

Bent - samenvatting

b)

Mits - uitzondering

c)

Mits - voorwaarde

d)

Haalt - opsomming

40.

Wat is het verwijswoord?

Als je oud meubilair kwijt wil, moet je het op straat zetten.

4 lines
41.

Wat is het verwijswoord? Waar verwijst het naar?

Mijn broertje is heel lief. Hij geeft mij altijd een knuffel.

a)

Mijn --> broertje

b)

Heel --. lief

c)

Hij --> mijn broertje

d)

Altijd --> knuffel