wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo3 Thema 4 ordening en evolutie

Total questions: 20

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Bekijk de afbeelding. Tot welk rijk behoort deze cel?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Planten

d)

Schimmels

2.

Bekijk de afbeelding. Links zie je een Aziatische olifant en rechts zie je een Afrikaanse olifant. Ze leven in verschillende leefgebieden en kunnen geen nakomelingen krijgen. Ze hebben wel hetzelfde aantal chromosomen.

Behoren deze olifanten tot dezelfde soort?

a)

Ja, want ze hebben hetzelfde aantal chromosomen.

b)

Ja, want ze behoren ook tot dezelfde familie.

c)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

d)

Nee, want ze leven in verschillende leefgebieden.

3.

Welk van de volgende rijken organismen bevat als enige geen celkern?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Planten

d)

Schimmels

4.

In een populatie komen evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes als slakken met donkergekleurde huisjes voor. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond lichter. Vogels eten nu meer slakken met donkere huisjes.

Wat gebeurt er met de verhouding van de kleuren van de slakkenhuisjes in de volgende generaties?

a)

Meer lichte slakkenhuisjes dan donkere slakkenhuisjes.

b)

Meer donkere slakkenhuisjes dan lichte slakkenhuisjes.

c)

De verhouding blijft hetzelfde.

5.

Bekijk het plaatje. Hier zijn twee verschillende soorten ontstaan als gevolg van:

a)

Selectie

b)

Isolatie

c)

Mutaties

d)

Evolutie

6.

Bekijk de afbeelding. Waaraan kun je concluderen dat deze soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben gehad?

a)

Alle ledematen hebben dezelfde functie en dezelfde grondvorm.

b)

Alle ledematen hebben dezelfde functie en een andere grondvorm.

c)

Alle ledematen hebben een andere functie maar dezelfde grondvorm.

d)

Alle ledematen hebben een andere functie en een andere grondvorm.

7.

Juist/onjuist?

De stof DNA kan worden genoemd als argument voor de evolutie, omdat het bij verschillende organismen dezelfde samenstelling heeft.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Welk van de volgende organen is een rudimentair orgaan?

a)

Longen

b)

Heiligbeen

c)

Verstandskies

d)

Dunne darm

9.

Bekijk de afbeelding. Welke soort is het meest verwant aan de bastaardschorpioenen?

a)

Schorpioenen

b)

Teken

c)

Rolspinnen

d)

Zweepstaartschorpioenen

10.

Benoem de celkenmerken van een bacteriële cel (meerdere goed).

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

11.

Benoem de celkenmerken van een schimmelcel (meerdere goed).

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Celwand

d)

Bladgroenkorrels

12.

Vul het woord op de puntjes in.

De voortplantingscel van een meercellige schimmel wordt een ... genoemd.

(a)  

13.

Sommige schimmels en bacteriën worden ook wel reducenten genoemd. Welke rol leveren reducenten?

a)

Infecties veroorzaken.

b)

Bereiden van voedsel.

c)

Bereiden van medicijnen.

d)

Natuurlijke resten omzetten in bouwstoffen.

14.

Hoe heten de medicijnen die worden gebruikt om bacteriële infecties te behandelen?

a)

Antimycotica

b)

Antibiotica

c)

Desinfecteermiddel

d)

Penicilline

15.

Bekijk de afbeelding. Bij welke groep van het plantenrijk hoort deze plant?

a)

Zaadplanten

b)

Sporenplanten

c)

Wieren

16.

Bekijk de afbeelding. Bij welke groep behoort de grove den?

a)

Bedektzadigen

b)

Naaktzadigen

c)

Sporenplanten

d)

Paardenstaarten

17.

Een schaap is (1) symmetrisch en heeft een (2) skelet.

a)

1: Tweezijdig, 2: Inwendig

b)

1: Tweezijdig, 2: Uitwendig

c)

1: Veelzijdig, 2: Inwendig

d)

1: Veelzijdig, 2: Uitwendig

18.

Bekijk de afbeelding. Tot welke stam van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Weekdieren

b)

Geleedpotigen

c)

Stekelhuidigen

d)

Gewervelden

19.

Bekijk de afbeelding. Tot welke stam behoort dit dier?

a)

Sponzen

b)

Holtedieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

20.

Welk kenmerk van de reptielen klopt hier niet?

a)

Warmbloedig

b)

Ademt met longen

c)

Droge schubben

d)

Eieren met leerachtige schaal