wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intaco 2021 3.0

Total questions: 78

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.
Het meervoud van kerstbal is
a)
kerstballen
b)
kerstballs
c)
kerstbalen
2.
Misschien krijgen we een witte kerst en gaat het
a)
sneewen
b)
sneeuwen
c)
sneeuen
d)
sneewen
3.
Onder de boom liggen de 
a)
kerstkadootjes
b)
kerstcadeautjes
c)
kerstcadeutjes
d)
kerstkadeautjes
4.
's Avonds is er het 
a)
kerstdinee
b)
kerstdienee
c)
kerstdiener
d)
kerstdiner
5.
Op de radio hoor je de mooiste 
a)
kerstliedjes
b)
kersliedjes
c)
kerstlidjes
d)
kerstliejes
6.
Op Nieuwjaarsdag drinken we 
a)
campagne
b)
campanje
c)
champanje
d)
champagne
7.
Hij heeft last van depressies betekent:
a)
Hij heeft veel sombere buien.
b)
Hij is erg chagrijnig
c)
Hij kan niet tegen de kou.
8.
Iemand met liefdesverdriet heeft
a)
een ruim hart
b)
een groot hart
c)
een gebroken hart
9.
Zij ziet er opgewekt uit, betekent
a)
Ze ziet er grappig uit.
b)
Ze ziet er vrolijk uit.
c)
Ze ziet er feestelijk uit.
10.
Wanneer lach je het hardst?
a)
Als je een binnenpretje hebt.
b)
Als je schaterlacht.
c)
Als je glimlacht.
11.
Wie heel gelukkig is, is
a)
in de zevende hemel
b)
onder de blote hemel
c)
een geschenk uit de hemel.
12.
Bij welke sport hoort het woord bidon?
a)
waterpolo
b)
klootschieten
c)
wielrennen
13.
Welk woord is goed gespeld?
a)
kogelsstoten
b)
polsstokspringen
c)
maratthon
14.
Hij zit tot over zijn oren in het werk betekent:
a)
Zijn bureau ligt vol met stapels papieren
b)
Hij heeft verschrikkelijk veel te doen
c)
Hij werkt zo hard dat hij niets meer hoort.
15.
Welk woord is juist gespeld?
a)
educatiev
b)
educatief
c)
educatif
16.
Hij werkt aan de lopende band, betekent
a)
Hij werkt constant
b)
Hij werkt in een garage.
c)
Hij werkt volgens een rooster
17.

Wat is het meervoud (le pluriel) van

het kasteel ?

a)

de kastellen

b)

de kastelen

c)

het kasteelen

d)

de kasteelen

18.

Wat is het meervoud van

het mes ?

a)

het messen

b)

de mesen

c)

de meesen

d)

de messen

19.

Geef het meervoud van

het oor

a)

het ooren

b)

de oors

c)

de ooren

d)

de oren

20.

Wat is het meervoud van ....?

de duif

a)

de duifen

b)

de duifs

c)

de duiven

21.

Geef het meervoud van :

de neus

a)

de neuzen

b)

de neusen

c)

de neussen

22.

Geef het meervoud van :

de doos

a)

de doosen

b)

de doozen

c)

de dozen

d)

de dosen

23.

Wat is de correcte vervoeging van het werkwoord

graven (=creuser)

a)

Wij graaven

b)

Jij gravt

c)

Ik graav

d)

hij graaft

24.

Wat kan vliegen?

a)
b)
c)
d)
e)
25.

Wat is het meervoud van DOUCHE?

a)

Douchen

b)

Douches

26.

Wat is het meervoud van KOMKOMMER?

a)

komkommers

b)

komkommeren

27.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Het water ______ heel warm.
a)
wort
b)
word
c)
wordt
28.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
De piraat _______ de schatkist.
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
29.

Wat is de juiste schrijfwijze?

a)

onmiddelijk

b)

onmiddellijk

c)

onmiddenlijk

30.
wat betekent: gemeenschappelijk?
a)
met andere zijn
b)
Gezamenlijk
c)
een bewijs
31.

Als u wil, ... u zich nog bedenken

a)

kan

b)

kunt

c)

beiden correct

32.

Zult u aan mij denken, als u in Belize ...

a)

is

b)

bent

c)

beiden correct

33.

U ... gelijk, mijnheer. U is hier gisteren ook geweest.

a)

heeft

b)

hebt

c)

beiden correct

34.

Welk woord is een samengesteld woord?

a)

opdracht

b)

kunstvoorwerp

c)

bewogen

d)

onzichtbaar

35.
TT: Het water wor... heel heet.
a)
t
b)
d
c)
dt
36.

Wat is het meervoud van olie?

a)

olien

b)

olieen

c)

oliën

d)

olieën

37.

We (a)   naar zee geweest.

38.

De directeur (a)   te laat gekomen.

39.

Iets wat echt bij iemand hoort

a)

De herinnering

b)

De eigenschap

c)

De kennis

d)

De emotie

40.

Een gevoel dat je hebt

a)

De emotie

b)

De herinnering

c)

De uitnodiging

d)

De opvoeding

41.

Iets wat je vaak op dezelfde manier doet

a)

Het vertrouwen

b)

De gewoonte

c)

Het respect

d)

De kennis

42.

Zet de zin in de gebiedende wijs?


Wij willen dat jullie hier stoppen.

a)

Moet je hier stoppen!

b)

Stop hier!

c)

Willen jullie hier stoppen!

d)

Willen jullie stop hier!

43.

Zet de zin in de gebiedende wijs?


Je kamt je haar.

a)

Kam je haar!

b)

Moet je je haar kammen!

c)

Wil je je haar kammen!

d)

Moet je je haar kammen!

44.

Nadat hij om 6 uur ....., ging hij douchen.

a)

was opgestaan

b)

had opgestaan

c)

opstond

d)

is opstaan

45.

Voordat de docent de grammatica ....., hadden ze veel fouten gemaakt.

a)

heeft uitgelegd

b)

uitlegde

46.

Doe je mee ... ons? Dan maken we het samen af.

a)

voor

b)

aan

c)

met

47.
Welk woord kom je het eerst tegen in de woordenboek?
a)
horloge
b)
mond
c)
mormoon
d)
zakmes
48.
Welk woord is juist geschreven?
a)
elektrisch
b)
electrisch
49.
Welke zin is juist?
a)
Hij heeft zijn hond geslaan.
b)
Hij heeft zijn hond geslagen.
50.
Wat is de goede volgorde?
a)
Na hun werk gaan ze iets drinken.
b)
Na hun werk ze gaan iets drinken.
51.
Wat is juist?
a)
de voetbal
b)
het voetbal
52.
Wat is juist?
a)
het meisje
b)
de meisje
53.
Wat is de goede volgorde?
a)
's Morgens zijn er veel files in Antwerpen.
b)
's Morgens er zijn veel files in Antwerpen.
54.
Spreekwoord. Wat betekent: De aap komt uit de mouw.
a)
Er is een aap ontsnapt.
b)
We komen de waarheid te weten.
55.
Wat is een boekenwurm?
a)
Een worm die boeken eet.
b)
Iemand die graag leest.
56.
Wat is juist?
a)
het speelgoed
b)
de speelgoed
57.

Ik heb mijn probleem duidelijk ___________(omschrijven).

a)

omschreven

b)

omschrijft

c)

omgeschreven

d)

omgeschrijft

58.

Hij heeft de zorgvrager _________ (ondersteunen).

a)

ondersteunen

b)

ondergesteund

c)

geondersteund

d)

ondersteund

59.

Ze heeft het gebit van de zorgvrager _______(poetsen)

a)

gepoetst

b)

gepoetsd

c)

gepoetsen

d)

gepoest

60.

Mia heeft haar voet _________(verstuiken)

a)

verstuikt

b)

verstoken

c)

ontstoken

d)

verstuiken

61.

Ze heeft de patiënt naar zijn kamer __________ (brengen)

a)

gebrengen

b)

gebrengd

c)

gebracht

d)

gebragt

62.

Wie heeft de meubelen _____________ (afstoffen)?

a)

afgestoffen

b)

afgestofd

c)

afgestoft

d)

geafstoft

63.

Wat zie je hier?

a)

bloeddruk nemen

b)

iemand ondersteunen

c)

een bedbad geven

d)

een injectie geven

64.

Door het woord maar weet je dat hier een tekstverband bestaat.


Welk soort?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

65.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

66.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

67.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

68.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Omdat mijn buren een hele mooie en fijne auto hebben , wil ik zo'n zelfde auto.

a)

reden

b)

voorbeeld

c)

volgorde

d)

tegenstelling

69.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

70.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


De sportdag was goed georganiseerd. Zo werd er genoeg water uitgedeeld en we hadden genoeg rustmomenten.

a)

opsomming

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

voorbeeld

71.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

72.

Ik zit op school....... ik wil graag overgaan

a)

of

b)

want

c)

hoewel

d)

maar

73.

ik ga vast over, .... ik mijn best doe

a)

tenzij

b)

hoewel

c)

mits

d)

terwijl

74.

Ik krijg een mooi cadeau, ........ ik blijf zitten

a)

want

b)

tenzij

c)

mits

d)

zodat

75.

Ik maak huiswerk, ....... mijn broertje tv kijkt

a)

terwijl

b)

hoewel

c)

tenzij

d)

mits

76.

Ik krijg een mooie fiets, ..... ik overga

a)

tenzij

b)

mits

c)

hoewel

d)

terwijl

77.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik kom vandaag wat later

ik moet naar de tandarts

a)

maar

b)

terwijl

c)

omdat

d)

tenzij

78.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik wil die fiets kopen

De prijs zal verlaagd worden

a)

terwijl

b)

tenzij

c)

hoewel

d)

mits