Worksheetsintaco 5.0
Total questions: 65
Worksheet time: 49mins
Caesar (heersen) over het Romeinse rijk.
(a)
Maxime (antwoorden) eerder al op de vraag.
(a)
Mama (bereiden) haar lekkerste maaltijd. Dat was smullen!
(a)
De scheidsrechter (leiden) vorige week de wedstrijd met strenge hand.
(a)
Alexia (koken) vanmorgen een heerlijke zalmfilet.
(a)
Maar daarna merkte hij dat zijn vermoeden niet (kloppen).
(a)
Amaury (gaan) altijd naar de ochtendmis.
(a)
Dokter Lambrecht (menen) dat een vaccin niet nodig was en zelfs gevaarlijk!
(a)
Gisteren (a) de zon. (schijnen)
Op Intaco (drinken) (a) we veel water.
Ik (a) twee jaar bij die firma. (werken)
We (a) opschieten om naar het strand te gaan! (moeten)
De man (a) weinig tijd voor zijn kinderen. (maken)
Jullie (a) toch dat we vandaag een test hebben? (weten)
De atleet (a) een recordtijd. (lopen)
Toen hij naar huis (a) , werd het mooi weer. (gaan)
We (a) niet allemaal in de lift. (kunnen)
De agent (a) hen een fikse parkeerboete. (geven)
Mijn ouders (a) vroeger vaker op bezoek. (komen)
Hij (a) als een god in Frankrijk. (leven)
Lali (a) al haar kleren naar de winkel. (brengen)
In het park (a) de kinderen om een ijsje. (roepen)
In het zwembad (a) we 1000 meter! (zwemmen)
Welke zin is juist in de OVT?
Wij lachen gisteren naar elkaar.
Wij lachten gisteren naar elkaar.
Wij lachte gisteren naar elkaar.
Wij lach gisteren naar elkaar.
Welke zin is juist in de OVT?
Hij lacht met de grappige foto.
Hij lachten met de grappige foto.
Hij lachte met de grappige foto.
Hij lach met de grappige foto.
Welke zin is juist in de OVT?
Ik weente gisteren na het eten.
Ik ween gisteren na het eten.
Ik weenden gisteren na het eten.
Ik weende gisteren na het eten.
Welke zin is juist in de OVT?
Jullie weenden aan het einde van de film.
Jullie weende aan het einde van de film.
Jullie weenen aan het einde van de film.
Jullie wenen aan het einde van de film.
Welke zin is juist in de OVT?
Ik raap daarnet mijn potlood op.
Ik raapte daarnet mijn potlood op.
Ik raapten daarnet mijn potlood op.
Ik raapt daarnet mijn potlood op.
Welke zin is juist in de OVT?
Hij raapte deze morgen zijn jas op.
Hij raapt deze morgen zijn jas op.
Hij raap deze morgen zijn jas op.
Hij raapten deze morgen zijn jas op.
Welke zin is juist in de OVT?
Wij vulden de juiste antwoorden in.
Wij vullen de juiste antwoorden in.
Wij vulde de juiste antwoorden in.
Wij vulen de juiste antwoorden in.
Conjugue ce verbe régulier à l'imparfait (OVT)
Gisteren [regenen] (a) het heel de dag.
Verleden tijd
Gisteren (plukken) ............. ik veel appels.
plokte
plukde
pluktte
plukte
Verleden tijd
De smaak (verrassen) ..... me heel erg.
veraste
verraste
verrastte
verrasste
Verleden tijd
Ik (eten) ...... er veel te veel.
eet
ete
ad
at
Verleden tijd
Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.
haasten
haastten
haastte
haaste
Verleden tijd
Ik (missen) ........ mijn trein en kwam te laat.
mistte
miste
misde
mis
Verleden tijd
Wij (lachen) ...... hard met de mop van Raphaël.
lachden
lachtten
lagten
lachten
Verleden tijd
De mannen (schieten) ..... mis.
schieten
schoten
scheten
schootten
Verleden tijd
De auto (botsen) ..... tegen de boom.
botsten
botste
botstten
botsde
Verleden tijd
De groep (raden) ..... het antwoord.
raadde
raadden
rade
raden
Verleden tijd
De chauffeur (rijden) ..... veel te hard.
rijdt
rijd
reed
reden
Verleden tijd
Jullie (vertrekken) ..... weeral te laat.
vertrekten
vertrektten
vertrokken
vertrok
Wat is de OVT van 'zeggen' (hij)
hij zegde
hij zei
hij zeide
hij zegte
Wat is de OVT van 'lopen' (ik)
ik liep
ik liepte
ik loopte
ik loopde
Wat is de OVT van 'denken' (wij)
dacht
dachten
denkten
denkte
Wat is de OVT van 'antwoorden' (jullie)
antwoorden
antwoordde
antwoordden
antwoordten
Wat is de OVT van 'roepen' (ik)
roepte
roepde
riep
roop
Wat is de OVT van 'spreken' (zij, enk)
zij sprak
zij spreekde
zij spreekte
zij sprook
Een auto met vier jongeren (botsen OVT) _ tegen een muur.
(a)
OVT
We (spelen) voetbal gisteren.
(a)
Mathisse (antwoorden) eerder al op de vraag.
(a)
Ze (a) erg veel van chocolade (houden)
Ik (klaarmaken) het eten.
ik klaarmaakte het eten.
ik maakte het eten klaar.
ik maakde het eten klaar.
ik klaarmaakde het eten.
OVT
Je (moeten) altijd studeren toen je kinder was.
(a)
De studenten (a) de waarschuwing heel serieus. (nemen)
Hij wist er niks van, hij (a) uit de lucht! (vallen)
Wat (a) je van de film? (vinden)
De arbeiders (a) een dagje vrij nemen. (mogen)
De prins (a) zich een prachtig landgoed. (kopen)
Helaas (a) ze hopeloos te laat voor de inschrijving. (zijn)
De kleine jongen (a) zijn konijn heel goed. (verzorgen)
In het zwembad (a) we 1000 meter! (zwemmen)
We (kunnen) (a) niet kiezen tussen de verschillende dilemma's.
Lolo (a) (zijn) heel boos toen het alarm van de GSM's afging.
Eli (tekenen) (a) een mooie tekening.
