Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

intaco 5.0

Total questions: 65

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

Caesar (heersen) over het Romeinse rijk.

(a)  

2.

Maxime (antwoorden) eerder al op de vraag.

(a)  

3.

Mama (bereiden) haar lekkerste maaltijd. Dat was smullen!

(a)  

4.

De scheidsrechter (leiden) vorige week de wedstrijd met strenge hand.

(a)  

5.

Alexia (koken) vanmorgen een heerlijke zalmfilet.

(a)  

6.

Maar daarna merkte hij dat zijn vermoeden niet (kloppen).

(a)  

7.

Amaury (gaan) altijd naar de ochtendmis.

(a)  

8.

Dokter Lambrecht (menen) dat een vaccin niet nodig was en zelfs gevaarlijk!

(a)  

9.

Gisteren (a)   de zon. (schijnen)

10.

Op Intaco (drinken) (a)   we veel water.

11.

Ik (a)   twee jaar bij die firma. (werken)

12.

We (a)   opschieten om naar het strand te gaan! (moeten)

13.

De man (a)   weinig tijd voor zijn kinderen. (maken)

14.

Jullie (a)   toch dat we vandaag een test hebben? (weten)

15.

De atleet (a)   een recordtijd. (lopen)

16.

Toen hij naar huis (a)   , werd het mooi weer. (gaan)

17.

We (a)   niet allemaal in de lift. (kunnen)

18.

De agent (a)   hen een fikse parkeerboete. (geven)

19.

Mijn ouders (a)   vroeger vaker op bezoek. (komen)

20.

Hij (a)   als een god in Frankrijk. (leven)

21.

Lali (a)   al haar kleren naar de winkel. (brengen)

22.

In het park (a)   de kinderen om een ijsje. (roepen)

23.

In het zwembad (a)   we 1000 meter! (zwemmen)

24.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Wij lachen gisteren naar elkaar.

b)

Wij lachten gisteren naar elkaar.

c)

Wij lachte gisteren naar elkaar.

d)

Wij lach gisteren naar elkaar.

25.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Hij lacht met de grappige foto.

b)

Hij lachten met de grappige foto.

c)

Hij lachte met de grappige foto.

d)

Hij lach met de grappige foto.

26.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Ik weente gisteren na het eten.

b)

Ik ween gisteren na het eten.

c)

Ik weenden gisteren na het eten.

d)

Ik weende gisteren na het eten.

27.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Jullie weenden aan het einde van de film.

b)

Jullie weende aan het einde van de film.

c)

Jullie weenen aan het einde van de film.

d)

Jullie wenen aan het einde van de film.

28.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Ik raap daarnet mijn potlood op.

b)

Ik raapte daarnet mijn potlood op.

c)

Ik raapten daarnet mijn potlood op.

d)

Ik raapt daarnet mijn potlood op.

29.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Hij raapte deze morgen zijn jas op.

b)

Hij raapt deze morgen zijn jas op.

c)

Hij raap deze morgen zijn jas op.

d)

Hij raapten deze morgen zijn jas op.

30.

Welke zin is juist in de OVT?

a)

Wij vulden de juiste antwoorden in.

b)

Wij vullen de juiste antwoorden in.

c)

Wij vulde de juiste antwoorden in.

d)

Wij vulen de juiste antwoorden in.

31.

Conjugue ce verbe régulier à l'imparfait (OVT)


Gisteren [regenen] (a)   het heel de dag.

32.

Verleden tijd


Gisteren (plukken) ............. ik veel appels.

a)

plokte

b)

plukde

c)

pluktte

d)

plukte

33.

Verleden tijd


De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

veraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

34.

Verleden tijd


Ik (eten) ...... er veel te veel.

a)

eet

b)

ete

c)

ad

d)

at

35.

Verleden tijd


Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.

a)

haasten

b)

haastten

c)

haastte

d)

haaste

36.

Verleden tijd


Ik (missen) ........ mijn trein en kwam te laat.

a)

mistte

b)

miste

c)

misde

d)

mis

37.

Verleden tijd


Wij (lachen) ...... hard met de mop van Raphaël.

a)

lachden

b)

lachtten

c)

lagten

d)

lachten

38.

Verleden tijd


De mannen (schieten) ..... mis.

a)

schieten

b)

schoten

c)

scheten

d)

schootten

39.

Verleden tijd


De auto (botsen) ..... tegen de boom.

a)

botsten

b)

botste

c)

botstten

d)

botsde

40.

Verleden tijd


De groep (raden) ..... het antwoord.

a)

raadde

b)

raadden

c)

rade

d)

raden

41.

Verleden tijd


De chauffeur (rijden) ..... veel te hard.

a)

rijdt

b)

rijd

c)

reed

d)

reden

42.

Verleden tijd


Jullie (vertrekken) ..... weeral te laat.

a)

vertrekten

b)

vertrektten

c)

vertrokken

d)

vertrok

43.

Wat is de OVT van 'zeggen' (hij)

a)

hij zegde

b)

hij zei

c)

hij zeide

d)

hij zegte

44.

Wat is de OVT van 'lopen' (ik)

a)

ik liep

b)

ik liepte

c)

ik loopte

d)

ik loopde

45.

Wat is de OVT van 'denken' (wij)

a)

dacht

b)

dachten

c)

denkten

d)

denkte

46.

Wat is de OVT van 'antwoorden' (jullie)

a)

antwoorden

b)

antwoordde

c)

antwoordden

d)

antwoordten

47.

Wat is de OVT van 'roepen' (ik)

a)

roepte

b)

roepde

c)

riep

d)

roop

48.

Wat is de OVT van 'spreken' (zij, enk)

a)

zij sprak

b)

zij spreekde

c)

zij spreekte

d)

zij sprook

49.

Een auto met vier jongeren (botsen OVT) _ tegen een muur.

(a)  

50.

OVT

We (spelen) voetbal gisteren.

(a)  

51.

Mathisse (antwoorden) eerder al op de vraag.

(a)  

52.

Ze (a)   erg veel van chocolade (houden)

53.

Ik (klaarmaken) het eten.

a)

ik klaarmaakte het eten.

b)

ik maakte het eten klaar.

c)

ik maakde het eten klaar.

d)

ik klaarmaakde het eten.

54.

OVT

Je (moeten) altijd studeren toen je kinder was.

(a)  

55.

De studenten (a)   de waarschuwing heel serieus. (nemen)

56.

Hij wist er niks van, hij (a)   uit de lucht! (vallen)

57.

Wat (a)   je van de film? (vinden)

58.

De arbeiders (a)   een dagje vrij nemen. (mogen)

59.

De prins (a)   zich een prachtig landgoed. (kopen)

60.

Helaas (a)   ze hopeloos te laat voor de inschrijving. (zijn)

61.

De kleine jongen (a)   zijn konijn heel goed. (verzorgen)

62.

In het zwembad (a)   we 1000 meter! (zwemmen)

63.

We (kunnen) (a)   niet kiezen tussen de verschillende dilemma's.

64.

Lolo (a)   (zijn) heel boos toen het alarm van de GSM's afging.

65.

Eli (tekenen) (a)   een mooie tekening.