Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intaco 6.0

Total questions: 76

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.
achter het net vissen
a)
te laat komen om nog kans te hebben op succes 
b)
fout vissen
c)
vervelend doen 
d)
iemand missen
2.
de kat uit de boom kijken
a)
afwachten
b)
je vervelen
c)
slapen
d)
stoppen
3.
water naar de zee dragen
a)
nutteloos werk doen
b)
heel zwaar werk doen
c)
heel licht werk doen
4.
een storm in een glas water
a)
ergens heel erg boos om zijn
b)
veel drukte om niets
c)
er is iets ergs gebeurd 
5.

Wat is de betekenis van de uitdrukking:

Er schuilt een addertje onder het gras?

a)

Er is een verborgen risico in het spel.

b)

Het is hier heel veilig.

c)

Je moet meer werken.

d)

Kinderen lijken vaak erg op hun ouders.

6.

Wat is de betekenis van de volgende uitdrukking:

Er als de kippen bij zijn.

a)

Vroeg op pad gaan.

b)

Er razendsnel bij zijn.

c)

Heel veel lawaai maken.

d)

Het voortouw nemen.

7.

Wat is de betekenis van de volgende uitdrukking:

Een kat in een zak kopen.

a)

Geen gepaste keuze kunnen maken.

b)

Te veel in één keer willen.

c)

Gierig zijn.

d)

Bedrogen worden.

8.

Wat is de betekenis van de uitdrukking:

Het zwarte schaap in de familie zijn.

a)

Ergens ver gaan wonen.

b)

Er niet bij horen.

c)

Heel erg volgzaam zijn.

d)

Een probleem oplossen.

9.

Wat betekent: werken als een paard?

a)

Heel erge honger hebben.

b)

Heel goed kunnen werken.

c)

Vaak het voortouw nemen.

d)

De baas willen spelen.

10.

Op grote voet leven.

a)

Altijd te grote schoenen dragen.

b)

Veel geld uitgeven.

c)

Slecht met geld om kunnen gaan.

d)

Spullen zo goedkoop mogelijk kopen.

11.

Je tanden in iets zetten.

a)

Niet snel opgeven.

b)

Snel opgeven.

c)

Afmaken.

d)

Voortzetten.

12.

Stalen zenuwen hebben.

a)

Goed tegen spanning kunnen.

b)

Slecht tegen spanning kunnen.

c)

Heel sterk zijn.

d)

Je bent Iron Man.

13.

Op de kop tikken.

a)

Iemand een klap verkopen.

b)

Iets heel goedkoop kopen.

c)

Met een hamer op een spijker slaan.

d)

Ruzie hebben.

14.

Verliefd zijn op iemand

a)

Aan iemands lippen hangen.

b)

Een oogje op iemand hebben.

c)

Op grote voet leven.

d)

Stalen zenuwen hebben.

15.
Een vogel voor de kat zijn. 
a)
reddeloos verloren zijn
b)
opgegeten worden
c)
afgemaakt worden
16.

On a vraiment faim.

a)

Wij hebben echt honger.

b)

Ik eet liever vlees.

c)

Drie keer per week.

d)

Ik eet liever witloof.

17.

Trois fois par semaine.

a)

Wij hebben echt honger.

b)

Ik eet liever vlees.

c)

Drie keer per week.

d)

Ik eet liever witloof.

18.

Je préfère la viande.

a)

Wij hebben echt honger.

b)

Ik eet liever vlees.

c)

Drie keer per week.

d)

Ik eet liever witloof.

19.

Je déteste les chicons.

a)

Wij hebben echt honger.

b)

Ik eet liever vlees.

c)

Drie keer per week.

d)

Ik haat witloof.

20.

Qu'est-ce que vous voulez?

a)

Wat willen jullie?

b)

We hebben zin in ...

c)

We gaan de tafel dekken.

d)

We gaan een tafelkleed leggen.

21.

On a envie de ...

a)

Wat willen jullie?

b)

We hebben zin in ...

c)

We gaan de tafel dekken.

d)

We gaan een tafelkleed leggen.

22.

On va mettre la table.

a)

Wat willen jullie?

b)

We hebben zin in ...

c)

We gaan de tafel dekken.

d)

We gaan een tafelkleed leggen.

23.

On va mettre une nappe.

a)

Wat willen jullie?

b)

We hebben zin in ...

c)

We gaan de tafel dekken.

d)

We gaan een tafelkleed leggen.

24.

Tu as raison.

a)

Je hebt een rozijn.

b)

Je hebt gelijk.

c)

Alles is er.

d)

De auto toetert.

25.

Tout y est.

a)

Je hebt een rozijn.

b)

Je hebt gelijk.

c)

Alles is er.

d)

Hij doet toet.

26.

Yvonne is een zachtaardig meisje. Ze doet geen ... kwaad.

a)

mier

b)

hond

c)

kat

d)

vlieg

27.

Omdat ze zo lenig is, voelt Marie zich bij turnen als een ... in het water.

a)

koe

b)

dolfijn

c)

vis

d)

aap

28.

Joep is altijd wat afwachtend. Hij kijkt het liefst de ... uit de boom.

a)

appel

b)

hond

c)

peer

d)

kat

29.

Wie zijn ... brandt, moet op de blaren zitten.

a)

handen

b)

billen

c)

voeten

d)

benen

30.

Heel hard voor iets werken, soms samen.

a)

Je schouders eronder zetten.

b)

Op grote voet leven.

c)

Uit de hand lopen.

d)

In je vuistje lachen.

31.

Op vrije voeten

a)

op dezelfde manier

b)

uit de gevangenis

c)

ergens goed mee kunnen werken

32.

Ik sterf van de kou

a)

Ik ben dol op de kou

b)

Ik wil dat het koud is

c)

Ik heb het heel erg koud

d)

Ik heb het totaal niet koud

33.

Hij heeft dat uit zijn duim gezogen

a)

Hij heeft dat verzonnen

b)

Hij heeft honger

c)

Hij heeft last van zijn duim

d)

Hij heeft zijn nagels geknipt

34.
Een toevallige gebeurtenis.
a)
calculatie
b)
privilege
c)
incident
35.
Je FLEXIBEL opstellen.
a)
actief
b)
meegaand
c)
terughoudend
36.
De situatie was nogal CHAOTISCH.
a)
storend
b)
paniekerig
c)
wanordelijk
37.

Wat betekent het woord 'de pechvogel'?

a)

Iemand die vaak pech heeft.

b)

Iemand die brutaal is.

c)

Iemand die snel boos is.

d)

Iemand die heel trots is op zichzelf en dat laat merken.

38.

Wat betekent het woord 'de opschepper'?

a)

Iemand die vaak pech heeft.

b)

Iemand die brutaal is.

c)

Iemand die snel boos is.

d)

Iemand die heel trots is op zichzelf en dat laat merken.

39.

Wat betekent het woord 'de gebeurtenis'?

a)

Iets doen wat onbeleefd is.

b)

Iets wat gebeurt.

c)

Een keuze die je maakt.

d)

Waarom je iets doet.

40.

Wat betekent het woord 'de beslissing'?

a)

Iets doen wat onbeleefd is.

b)

Iets wat gebeurt.

c)

Een keuze die je maakt.

d)

Waarom je iets doet.

41.

Wat betekent het woord 'de reden'?

a)

Iets doen wat onbeleefd is.

b)

Iets wat gebeurt.

c)

Een keuze die je maakt.

d)

Waarom je iets doet.

42.

Wat hij over mij zegt is niet waar. Het is een ....

a)

Betrappen

b)

Nadeel

c)

Roddel

d)

Verrast

43.

Het is een ... dat opa en oma zo ver weg wonen.

a)

Betrappen

b)

Nadeel

c)

Roddel

d)

Verrast

44.

Ik vond het niet leuk wat je deed. Maar nu zijn we weer vrienden.

a)

Ik ben het met je eens.

b)

Ik heb je vergeven.

c)

We hebben plezier beleefd.

45.

Welk woord past niet bij 'het karakter'?

a)

Lui.

b)

Verlegen.

c)

Verloren.

d)

Vriendelijk.

46.

Ik moet altijd lachen om Bas. Hij heeft ....

a)

Brutaliteit.

b)

Humor.

c)

Vriendschap.

47.

Het ergens benauwd van krijgen, betekent...

a)

Ergens veel moeite voor doen.

b)

Ergens zenuwachtig van worden.

c)

Volhouden

48.

Er is veel ophef over de nieuwe Boerka-wet.

a)

onduidelijkheid

b)

commotie

c)

enthousiasme

49.

Wat kan worden ondertiteld?

a)
b)
c)
d)
50.

Waar zie je ondertiteling?

a)
b)
c)
d)
51.

Wat is vangrails?

a)
b)
c)
d)
52.

Waar zie je een veranda?

a)
b)
c)
d)
53.

Welk plaatje hoort bij mediteren?

a)
b)
c)
d)
54.

Wat is een rotonde?

a)
b)
c)
d)
55.

anoniem

a)

met naam

b)

zonder naam

c)

afzender

56.

mis

a)

mooie vrouw

b)

niet goed

c)

dat het buiten wazig is.

57.

1.Wat zie je op het plaatje?

a)

het is zonnig

b)

verstoppertje spelen

c)

gitaar spelen

58.

1.Wat zie je op het plaatje?

a)

De bal staat op de doos.

b)

De bal staat voor de doos.

c)

De bal staat tussen de dozen.

59.

Een onderzeeër vaart naar vele landen toe.

a)

duikboot

b)

boot die de zee onderzoekt

c)

groot schip

60.

Moeder schept het eten voor ons op.

a)

uit een pan op je bord doen

b)

pochen

c)

de nadruk op iets leggen

61.

Er is een man overboord gevallen

a)

in het water vallen.

b)

in de zee zwemmen

c)

springen in het water.

62.

Je moet onmiddellijk komen

a)

opeens

b)

plotseling

c)

direct

63.

Het vuil wordt dagelijks opgehaald.

a)

meenemen

b)

weggooien

c)

wegstoppen

64.

Blijf dicht bij mij en pas op voor kabels en plassen water.


'Oppassen' betekent in deze zin:

a)

opletten, uitkijken

b)

babysitten

65.

Steek jij soms je haar op?


'Opsteken' betekent in deze zin:

a)

omhoogsteken, een dotje maken

b)

leren

66.

Wie klopt daar op de deur?


'Kloppen' betekent in deze zin:

a)

een hoorbare slag

b)

een slag van het hart

c)

juist zijn, overeenkomen

d)

overwinnen

67.

Je hebt de kast toch aan de muur bevestigd?


'Bevestigen' betekent hier:

a)

bekrachtigen

b)

vastmaken

c)

instemmen

68.

De recordpoging liep helemaal mis.


'Mislopen' betekent in deze zin:

a)

zo lopen dat je iemand niet ziet, verkeerd lopen.

b)

niet krijgen van een prijs, beloning ...

c)

mislukken

69.

Een quiche is niet waar ik voor kies als maaltijd.

a)

taart van bladerdeeg met hartige vulling

b)

grote pastei

c)

schuimtaart

70.

Recycling is goed voor het milieu.

a)

in een cirkeltje blijven draaien

b)

spullen verbranden en weggooien

c)

afvalstoffen gebruiken om nieuwe dingen te maken

71.

Op de rommelmarkt verkochten zij kleren, die zij niet meer droegen.

a)

markt waar alleen nieuwe kleren worden verkocht

b)

markt waar oude, tweedehands spullen verkocht worden

c)

een markt waar het rommelt

72.

De eerste communie is een religieus ritueel.

a)

wonderlijk

b)

is alleen bedoeld voor wijsneuzen

c)

iets te maken hebben met een godsdienst

73.
Wat betekent 'mondiaal'?
a)
wereldwijd
b)
geluid maken met je mond
c)
Europees
d)
iets opeten
74.
Wat betekent 'investering'?
a)
gebruik van geld en tijd om een doel te bereiken
b)
gebruik van geld om iets te laten mislukken
c)
geld uitgeven om te gokken
d)
onnodig geld uitgeven
75.
Wat betekent 'infrastructuur'?
a)
voorzieningen zoals wegen en spoorlijnen
b)
voorzieningen tijdens het sporten
c)
voorzieningen in een pretpark
d)
voorzieningen op vakantie
76.
Wat betekent 'genuanceerd'?
a)
niet eenzijdig of al te beslist
b)
van één kant bekeken
c)
op dit moment
d)
in de toekomst