wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intaco augustus 2

Total questions: 103

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

5

a)

twee

b)

vijf

c)

vier

d)

acht

2.
Hoeveel maanden zitten er in één jaar?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
24
3.
Welk is de eerste maand van het jaar?
a)
Januari
b)
September
c)
December
d)
Juli
4.
In welke maand begint het nieuwe schooljaar? 
a)
Januari
b)
September
c)
December
d)
Juli
5.
In welke maand vieren we Kerstmis?
a)
Januari
b)
September
c)
December
d)
Juli
6.
Wat is de derde maand van het jaar? 
a)
April
b)
Augustus
c)
November
d)
Maart
7.
Wat is de vijfde maand van het jaar?
a)
Februari
b)
Mei
c)
Juni
d)
September
8.
Welke maand wordt hier bedoeld? 
a)
April
b)
Februari
c)
Augustus
d)
Juni
9.
Welke maand wordt hier bedoeld? 
a)
Januari
b)
Februari
c)
Augustus
d)
Oktober
10.
Welk seizoen wordt hier bedoeld? 
a)
Januari
b)
Maart
c)
Winter
d)
Herfst
11.
Welk seizoen wordt hier bedoeld? 
a)
Lente
b)
Zomer
c)
Augustus
d)
Mei
12.

Wat is dit?

a)

gelukkig

b)

bang

c)

ongelukkig

d)

dun

13.

Wat is dit?

a)

dik

b)

dun

c)

gezond

d)

het hart

14.

Wat is dit?

a)

dik

b)

dun

c)

gezond

d)

ongezond

15.

Wat is dit?

a)

gelukkig

b)

ongelukkig

c)

het ongeluk

d)

weten

16.

Wat is dit?

a)

gelukkig

b)

ongelukkig

c)

het ongeluk

d)

ongezond

17.

Wat is dit?

a)

weten

b)

helpen

c)

misschien

d)

bang

18.

Wat is dit?

a)

gezond

b)

ongezond

c)

gelukkig

d)

ongelukkig

19.

Wat is dit?

a)

gezond

b)

ongezond

c)

gelukkig

d)

ongelukkig

20.

Wat is dit?

a)

dik

b)

dun

c)

gelukkig

d)

ongelukkig

21.

Wat is dit?

a)

ja

b)

nee

c)

misschien

d)

andere

22.

Wat is dit?

a)

weten

b)

helpen

c)

gezond

d)

ongezond

23.

Wat is dit?

a)

het ongeluk

b)

dun

c)

dik

d)

het hart

24.
De leraar
a)
de juf
b)
de meester
c)
de leerling
d)
de conciërge
25.

Hij is ouder dan zijn ....

a)

broertju

b)

broertjuh

c)

broertje

d)

broertjeh

26.

Tekenen doe je met een ...

a)

potloot

b)

pootlod

c)

potloodt

d)

potlood

27.

Als het warm is, koop ik een ...

a)

ijsje

b)

eisje

c)

ijsju

d)

eisju

28.

Vlees koop ik bij de ...

a)

slaager

b)

slagger

c)

slager

d)

slaagger

29.

Wij .... naar de speeltuin

a)

loopen

b)

looppen

c)

lopen

d)

loppen

30.

In de lucht zie ik een .....

a)

fliegtuig

b)

vliegteug

c)

vliegtuig

31.

De .... eten mijn plantjes op.

a)

slaken

b)

slakken

32.

De ... zwemmen in de zee.

a)

vissen

b)

fissen

c)

visen

d)

fisen

33.

Er staan veel ... in het bos.

a)

bommen

b)

bomen

34.

De rode ... hangt aan de deur.

a)

ballon

b)

balon

c)

baalon

35.

Vul het juiste woord in.

Heb je ... nieuw smartphone al gezien?

a)

mijn

b)

mij

36.

In het ... zie je clowns.

a)

cirkus

b)

circus

37.

Wat is een koe?

a)
b)
c)
d)
38.

Wat is dit?

a)

Een vlieger

b)

Een vliegtuig

c)

Een vlieg

d)

Een avion

39.

Wat is een zandkasteel?

a)
b)
c)
d)
40.

Dit is een ...

a)

koning

b)

koningin

c)

konijn

d)

sint

41.

Wat is een regenboog?

a)
b)
c)
d)
42.

Wat is een boom?

a)
b)
c)
d)
43.

Wat is dit?

a)

Een brood

b)

Een boterham

c)

Een sneetje

d)

Boter

44.
a)
pan
b)
pen
c)
pin
d)
pon
45.
a)
bak
b)
boek
c)
bek
d)
beuk
46.
a)
week
b)
waak
c)
wiek
d)
werk
47.
a)
bal
b)
bol
c)
bel
d)
bul
48.

1.Wat zie je op het plaatje?

a)

het is zonnig

b)

verstoppertje spelen

c)

gitaar spelen

49.

2.Wat zie je op het plaatje?

a)

dansen

b)

schuilen

c)

tekenen

50.

3.Wat zie je op het plaatje?

a)

voetballen

b)

basketballen

c)

tikkertje

51.

4.Wat zie je op het plaatje?

a)

onweer

b)

het regent

c)

zwemmen

52.

5.Hij gaat niet naar links, maar naar ______________.

a)

buiten

b)

rechts

c)

binnen

53.

6.Wat zie je op het plaatje?

a)

De knie van James bloedt

b)

De knie van James is blauw

c)

De knie van James is dikker

54.

7.In de ______________ spelen de kinderen buiten.

a)

klas

b)

pauze

c)

kamer

55.

8.Type de zin correct: rent - Carlos - hard - heel

(a)  

56.

9.Type de zin correct: Hij - in het doel - schiet - de bal



(a)  

57.

10.Type de zin correct: Ze - morgen - gaan - verder

(a)  

58.

1.Wat zie je op het plaatje?

a)

De bal staat op de doos.

b)

De bal staat voor de doos.

c)

De bal staat tussen de dozen.

59.

2.Wat zie je op het plaatje?

a)

De poes is onder de tafel.

b)

De poes is naast de tafel.

c)

De poes is op de tafel.

60.

3.De poes is in de boom.

a)
b)
c)
61.

7.De hond is ________ het hok.

a)

onder

b)

achter

c)

in

62.

8.De hond is _________ het hok.

a)

voor

b)

op

c)

tussen

63.

9.De hond________ het hok.

a)

op

b)

voor

c)

in

64.

10.Wij zitten (a)   de stoel.

65.

Hoeveel graden is het hier aan de kust?

a)

34°C

b)

29°C

c)

33°C

d)

27°C

66.

Wordt het aan de kust warm of koud?

a)

warm

b)

koud

67.

Hoeveel graden is het hier?

a)

27°C

b)

-27°C

c)

10°C

68.

Wat is een atelier?

a)
b)
c)
d)
69.

Wat is een patiënt?

a)
b)
c)
d)
70.

Wat is een iglo?

a)
b)
c)
d)
71.

Wat is een advocado?

a)
b)
c)
d)
72.

Wat is een regisseur?

a)
b)
c)
d)
73.

Wat is kruipen?

a)
b)
c)
74.

Welk geluid maakt een hond?

a)

miauwen

b)

blaffen

c)

loeien

d)

kraaien

75.

Dit is

a)

het gezin

b)

de klasgenoot

c)

de familie

d)

de grootouders

76.

Dit is

a)

het gezin

b)

de familie

c)

het klaslokaal

d)

de baas

77.

Dit zijn

a)

opa en oma

b)

broer en zus

c)

2 vriendinnen

d)

oom en tante

78.

Dit is

a)

scheiden

b)

de begrafenis

c)

trouwen

d)

de geboorte

79.

Dit zijn

a)

de baby 's

b)

de volwassenen

c)

de vriendinnen

d)

de peuters

80.

Deze baas is

a)

leuk

b)

lief

c)

mooi

d)

boos

81.

Dit zijn

a)

de ouders

b)

de buren

c)

de grootouders

d)

de grote ouders

82.

Dit is

a)

de bruiloft

b)

de begrafenis

c)

de familie

d)

de collega

83.

Dit is

a)

de bruiloft

b)

trouwen

c)

het huwelijk

d)

de begrafenis

84.

Wat zijn dit?

a)

twee ooien

b)

twee eieren

c)

twee uien

d)

twee tamaten

85.

Dit zijn

a)

gele banaan

b)

oranje banen

c)

gele bananen

d)

groene bananen

86.

Dit zijn

a)

kwartels

b)

wortels

c)

uien

d)

bloemen

87.

Dit is

a)

de sla

b)

de kool

c)

de druif

d)

de bloem

88.

Welke kleuren hebben de druiven?

a)

groen, rood en oranje

b)

blauw, rood en oranje

c)

rood, blauw en groen

d)

wit, zwart en geel

89.

Dit is

a)

een bruine boterham met kaas

b)

een witte boterham met kaas

c)

een bruine boterham met hagelslag

d)

een witte boterham met hagelslag

90.

Wat is dit?

a)

suiker en zout

b)

peper en suiker

c)

zout en peper

d)

suiker en zand

91.

Wat zie je?

a)

koffie, suiker, melk en een vork

b)

koffie, suiker, melk en een mes

c)

koffie, suiker, melk en een lepel

d)

koffie, zout, melk en een lepel

92.

Wat zie je hier?

a)

Het oor

b)

De neus

c)

Het oog

d)

Het gezicht

93.

Wat is dit?

a)

De wang

b)

De lip

c)

De nek

d)

De kin

94.

Dit zijn de

a)

oren

b)

hersenen

c)

darmen

d)

longen

95.

Wat zijn dit?

a)

Dit zijn de pollen

b)

Dit zijn de ballen

c)

Dit zijn de lippen

d)

Dit zijn de pillen

96.

Wat zijn dit?

a)

Dit zijn de hersenen

b)

Dit zijn de wangen

c)

Dit zijn de armen

d)

Dit zijn de darmen

97.

Dit is

a)

het hart

b)

het hoofd

c)

de wenkbrauw

d)

de schouder

98.

Een been

a)

Twee beennen

b)

Twee benen

c)

Twee bennen

d)

Twee beneen

99.

Dit is

a)

een voet

b)

een arm

c)

een vinger

d)

een teen

100.

Het meisje is

a)

lief

b)

stout

c)

verkouden

d)

oud

101.

Dit is

a)

de elleboog

b)

de arm

c)

de schouder

d)

de enkel

102.

Wat is dit?

a)

Dit is de tandpasta

b)

Dit is de tandenborstel

c)

Dit is de zeep

d)

Dit is de deodorant

103.

Wat zie je?

a)

ogen, wimpers en schouders

b)

neuzen, ogen en wimpers

c)

ogen, armen en oren

d)

ogen, wimpers en wenkbrauwen