Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

nulmeting jaar 5 - H1 EN 2

Total questions: 69

Worksheet time: 2hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Motiverende factoren

a)

Aparte gedragseenheden

b)

Gedrag waarbij verschillende gedragssystemen afwisselen

c)

Gedrag dat ontstaat door een combinatie van inwendige en uitwendige factoren

d)

Gedrag gericht op het leven in een groep

2.

Sleutelprikkel

a)

Versterkte sleutelprikkel

b)

Essentiele prikkel waarop altijd hetzelfde gedrag volgt

c)

Prikkel die van buitenaf komt

d)

Prikkel die van binnenuit komt, zoals hormonen-, honger- en dorstgevoel

3.

Volggedrag

De jongen van bepaalde vogels, zoals ganzen, vertonen volggedrag. In de natuurlijke situatie lopen jonge ganzen, nadat ze uit het ei zijn gekomen, steeds met hun moeder mee. Om dit volggedrag te bestuderen doet een onderzoeker het volgende experiment. Ganzeneieren worden uitgebroed in een broedmachine. Het eerste bewegende voorwerp dat de gans na het uitkomen te zien krijgt, is een speelgoedeend op wieltjes die over de grond wordt voortgetrokken. Deze proef wordt met een groot aantal ganzen uitgevoerd; daarbij vindt de eerste confrontatie met de bewegende speelgoedeend plaats 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22 of 24 uur na het uitkomen. De onderzoeker registreert of de jonge gans die op één van de genoemde tijdstippen voor het eerst de bewegende speelgoedeend ziet, volggedrag gaat vertonen. Zijn resultaten zijn weergeven in het diagram van afbeelding 1.


Wat is de biologische term voor het leerproces waardoor een jonge gans het volggedrag gaat vertonen?

(a)  

4.

Een zwerfkat die al eens eerder gevangen is, zal moeilijker te vangen zijn dan een zwerfkat die niet eerder gevangen is.

Als deze veronderstelling juist is, op welk type leerproces is dit deel van het gedrag van katten dan gebaseerd?

a)

Conditionering

b)

Gewenning

c)

Imitatie

d)

Inprenting

5.

Een rat wordt getraind in een Skinner box.

De training in de Skinner box begint met een dier dat nog niet getraind is.

Het duwen tegen de hefboom zorgt dat er voer komt.

Maar door welk leerproces komt de ongetrainde rat er achter dat het duwen van de hefboom hem wat oplevert?

(a)  

6.

Bij de Nachtzwaluw verlopen de balts en het broedgedrag als volgt.

Het mannetje glipt geruisloos tussen de bomen door. Soms gaat hij op een tak zitten "err-en": hij maakt een lang trillend geluid, dat klinkt als "errr-or err-or err". Soms antwoordt het wijfje en vliegt op. Hij volgt haar dan onmiddellijk, vliegt recht omhoog en maakt een aantal prachtige buitelingen, waarbij hij vaak zijn vleugels boven zijn rug tegen elkaar kletst. Vaak hoor je een kreet als "schroei". De achtervolging eindigt als ze een geschikte nestelplaats ergens op de grond gevonden hebben. Ze strijken samen neer, het vrouwtje neemt een gebogen houding aan en de vogels gaan over tot de paring.

Ze bouwen geen nest, maar maken een eenvoudig kuiltje op de kale grond, waarbij het vrouwtje hinderlijke grashalmen verwijdert. Vanaf half mei legt het vrouwtje twee eieren in het kuiltje. Bij het broeden draait het vrouwtje de dagdiensten alleen, pas bij het invallen van de duisternis komt manlief haar voor een korte periode aflossen. Als een mens of dier het legsel heeft aangeraakt of verschoven, rolt de nachtzwaluw de eieren naar een ander plekje, enkele meters van het oorspronkelijke. Als ze worden verrast bij het nest, doen de vogels alsof ze vleugellam zijn en lopen ze langzaam bij het nest weg.


Ook volwassen nachtzwaluwen die hun ouders nooit gezien hebben, lopen vleugellam weg als ze op het nest verrast worden.

Hoe komt dit type gedrag tot stand?

a)

Erfelijk vastgelegd

b)

Er is gewenning opgetreden

c)

Inprenting

d)

Inzicht

e)

Proefondervinderlijk

7.

De staart van fosfolipiden is....

a)

Hydrofoob

b)

Hydrofiel

8.

Actief transport gaat altijd via transporteiwitten in het celmembraan. Een stof wordt altijd verplaatst van een

a)

Hoge concentratie naar een lage concentratie

b)

Lage concentratie naar een hoge concentratie

9.

Welk organel zorgt in de cel voor de energievoorziening?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi systeem

10.

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water. Wat gebeurt er met de rode bloedcellen?

a)

Ze veranderen niet

b)

Ze krijgen een grotere turgor

c)

Ze verschrompelen

d)

Ze zwellen op

11.

Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water.

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?

a)

De osmotische waarde en turgor veranderen niet

b)

De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe

c)

De osmotische waarde en turgor nemen af

d)

De osmotische waarde en turgor nemen toe

12.

Proef met aardappelstaafjes

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes vóór de proef is in het diagram weergegeven.


Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

bij concentratie P

b)

bij concentratie Q

c)

bij concentratie R

d)

bij concentratie S

13.

Als de DNA code TAC is, welk aminozuur wordt dan gekoppeld (gebruik BINAS)?

a)

Met

b)

Ser

c)

Lys

d)

Phe

14.

Als het RNA CAA is, voor welk aminozuur codeert het dan?

a)

His

b)

Pro

c)

Gln

d)

Val

15.

De menselijk cel bevat 46 chromosomen.

Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

En hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

a)

46 chromatiden ; 46 centromeren

b)

92 chromatiden ; 46 centromeren

c)

46 chromatiden ; 23 centromeren

d)

92 chromatiden ; 92 centromeren

16.

Dit celorganel komt enkel voor in dierlijke cellen en zorgt voor de afbraak van afvalstoffen en oude celorganellen.

a)

centrosoom

b)

vacuole

c)

lysosoom

d)

mitochondrie

17.

Hoe heet het proces waarbij RNA gevormd wordt?

a)

Translatie

b)

Transcriptie

c)

Transactie

d)

Transductie

18.
In het DNA van een bepaalde bacterie zit 16 % Adenine.
Wat is het percentage Guanine in die bacterie?
a)
16%
b)
68%
c)
34%
d)
Dat kun je niet weten
19.
Wat is apoptose?
a)
Uitzaaiing van kankercellen.
b)
Geprogrammeerde celdood.
c)
Het niet functioneren van witte bloedcellen.
d)
Een ander woord voor mutatie.
20.

Als een cel gaat delen dan moet voorafgaand aan de mitose het DNA worden verdubbeld via

a)

replicatie

b)

transcriptie

c)

translatie

d)

sequencing

21.

Hoe heet de bevuchte eicel?

a)

Foetus

b)

Zona pellucida

c)

Zygote

d)

Trofoblast

22.

In deze fase van de meiose gaan de chromatiden uit elkaar.

a)

Meiose I, anafase

b)

Meiose II, anafase

c)

Meiose I, metafase

d)

Meiose II, metafase

23.

Deze hormonen hebben een remmende werking op de hypothalamus

a)

FSH en LH

b)

Oestrogeen en LH

c)

Progesteron en FSH

d)

Oestrogeen en progesteron

24.

In deze fase van de mitose liggen de chromosomen in het equatorvlak

a)

Profase

b)

Metafase

c)

Anafase

d)

Telofase

25.

Bij deze techniek wordt een zaadcel direct in een eicel geinjecteerd.

a)

ICSI

b)

IVF

c)

Kunstmatige inseminatie

26.

Hoe heet het proces waarbij homologe chromosomen stukken DNA uitwisselen.

a)

Recombinatie

b)

Mutatie

c)

Translocatie

d)

Crossing-over

27.

(H4) De anticonceptiepil bevat meestal een combinatie van een progestageen hormoon (een synthetische variant van progesteron) en een oestrogeen hormoon. De pil wordt gedurende drie weken geslikt, gevolgd door een stopweek waarin geen pil wordt ingenomen. Meestal vindt in de stopweek een bloeding plaats. Na de stopweek wordt weer gestart met inname van de pil. Over het effect van deze hormonen worden de volgende beweringen gedaan:

1 Een hormoon in de pil stimuleert gedurende de slikweken de opbouw van het baarmoederslijmvlies.

2 Een hoge concentratie progestageen hormoon veroorzaakt de menstruatie.

Welke bewering is juist?

a)

geen van beide

b)

alleen 1

c)

alleen 2

d)

zowel 1 als 2

28.

(H3) Ouder worden gaat vaak gepaard met ziekten en lichamelijk ongemak. De wens om gezond ouder te worden is groot in onze samenleving, met mensen die een steeds hogere leeftijd bereiken. Er vindt daarom veel onderzoek plaats naar verouderings- en verjongingsprocessen. Spaanse en Amerikaanse onderzoekers zijn er samen in geslaagd om verouderde cellen in levende muizen te verjongen.

Bij onderzoek naar veroudering bij mensen is sprake van een methodologisch probleem. De gemiddelde levensduur van een mens is namelijk langer dan de gemiddelde carrièreduur van een wetenschapper. Een oplossing is om cross-sectioneel onderzoek te doen. Een grote groep proefpersonen wordt daarbij verdeeld in leeftijdscategorieën en gedurende een bepaalde korte periode, bijvoorbeeld een jaar, per leeftijdscategorie onderzocht op verouderingsverschijnselen. Aan dit cross-sectioneel onderzoek kleven nadelen. Twee aspecten van cross-sectioneel onderzoek zijn:

1 Doordat de proefpersonen niet allen in dezelfde periode zijn opgegroeid, kunnen gezondheidsverschillen tussen de leeftijdscategorieën ook veroorzaakt worden door verschillen in omgevingsfactoren.

2 Personen die op jonge leeftijd een slechtere gezondheid hadden, zijn minder vertegenwoordigd in de hogere leeftijdscategorieën.

Vermindert aspect 1 de betrouwbaarheid of de validiteit van het onderzoek? En aspect 2?

a)

Aspect 1 en 2 betrouwbaar

b)

Aspect 1 betrouwbaar en aspect 2 validiteit

c)

Aspect 1 validiteit en aspect 2 betrouwbaar

d)

Aspect 1 en 2 validiteit

29.

(H7) Bianca heeft fenylketonurie (PKU). Bianca’s oudere broer Tom heeft de ziekte niet. Ook hun ouders zijn niet ziek. Tom heeft een vriendin Sandra. Zij wil weten wat de kans is dat zij samen een kind met PKU krijgen. PKU komt in Nederland bij ongeveer 1 op de 18.000 mensen voor.

PKU is afkomstig van recessieve allelen.

Bereken de kans dat Sandra drager is van het allel voor PKU. Neem aan dat de regel van Hardy-Weinberg geldt. Noteer je berekening en geef je antwoord als een percentage in één decimaal nauwkeurig

(a)  

30.

(H7) Veel gunstige eigenschappen van het Europees vleesvarken zijn afkomstig van Chinese zeugen. Deze eigenschappen werden ingekruist om het Europese varkensras te verbeteren. Na het ontstaan van het wild zwijn (Sus scrofa), ongeveer 4 miljoen jaar geleden, heeft deze voorouder van onze vleesvarkens zich vanuit Zuidoost-Azië over Eurazië verspreid. Domesticatie van varkens heeft zo’n 10.000 jaar geleden zowel in Europa als in Azië plaatsgevonden. Het huidige Europees vleesvarken (Sus scrofa domesticus) is ongeveer 200 jaar geleden ontstaan in het Verenigd Koninkrijk. De Engelse varkenshouders haalden destijds zeugen uit China die vruchtbaarder en vetter waren en kruisten die met hun eigen varkens. Dankzij de Aziatische genen produceren onze vleesvarkens nu meer biggetjes en beter vlees. In afbeelding 1 is dit in een vereenvoudigd cladogram weergegeven.

Welke term is van toepassing op het verkrijgen van nieuwe eigenschappen in het Europees vleesvarken, weergegeven door de pijl in afbeelding 1? A emergente eigenschap B flessenhalseffect C founder effect D genetic drift E gene flow F mutatie

a)

Emergente eigenschap

b)

Flessenhalseffect

c)

Founder effect

d)

Genetic drift

e)

Gene flow

31.

(H7) Volgens de endosymbiosetheorie waren de voorlopers van chloroplasten ooit vrijlevende fotosynthetiserende prokaryoten, die een blijvende symbiose met andere cellen zijn aangegaan. Deze endosymbiose was een grote stap in de evolutie. Japanse onderzoekers die de eencellige Hatena arenicola bestuderen, vermoeden een secundaire endosymbiose in ontwikkeling.

In Japan is een in zee levende eencellige flagellaat (Hatena) ontdekt die een eencellige fotosynthetiserende alg (Nephroselmis) kan inbouwen. In afbeelding 1 is de levenscyclus van Hatena met als symbiont de alg Nephroselmis schematisch weergegeven: − De alg Nephroselmis wordt door Hatena opgeslokt via een soort mondopening, die later verdwijnt (1-3).

− De chloroplast van de alg wordt daarna wel tien keer zo groot, terwijl de andere organellen zoals mitochondriën juist veel kleiner worden en de flagel (zweephaar) van de alg verdwijnt (4-5).

− Vanaf dat moment leeft de alg in symbiose met de inmiddels groene Hatena (5).

− Als zo’n autotrofe Hatena zich deelt (6), ontstaat er een kleurloze (7a) en een groene dochtercel (7b).

− De kleurloze heterotrofe dochtercel vormt een mondopening en kan daardoor weer een Nephroselmis alg opnemen (1-3).

In de geschiedenis van het leven op aarde heeft endosymbiose vermoedelijk een grote rol gespeeld. Chloroplasten in plantencellen zijn waarschijnlijk door endosymbiose ontstaan. Enkele kenmerken van chloroplasten zijn:

1 omhuld door een dubbele membraan

2 in bezit van eigen DNA

3 in staat tot synthese van eiwitten.

Welk van deze kenmerken is of welke zijn een aanwijzing dat chloroplasten door endosymbiose zijn ontstaan?

a)

1

b)

1 en 2

c)

1 en 3

d)

1, 2 en 3

e)

2 en 3

32.

(H2) Een aantal moleculaire veranderingen draagt bij aan veroudering van cellen. Zo is bekend dat telomeren, de uiteinden van chromosomen, gedurende het leven korter worden, waardoor celdeling uiteindelijk niet meer kan plaatsvinden. Ook treden er fouten op bij het vouwen van eiwitten en hopen mutaties op in kern-DNA en mtDNA. Daarnaast verandert de bouw van sommige weefsels en organen. Zo verschrompelt de thymus al vanaf de geboorte, waardoor die op oudere leeftijd nauwelijks nog aanwezig is. Een van de ouderdomskwalen is het ontstaan van tumoren. Twee veranderingen die optreden bij veroudering zijn:

1 Schade aan het genoom accumuleert.

2 De telomeren worden korter.

Welke verandering kan leiden tot het ontstaan van tumoren?

a)

geen van beide

b)

alleen 1

c)

alleen 2

d)

1 en 2

33.

(H1) Een zwerfkat die al eens eerder gevangen is, zal moeilijker te vangen zijn dan een zwerfkat die niet eerder gevangen is.

Als deze veronderstelling juist is, op welke type leerproces is dit deel van het gedrag van katten dan gebaseerd?

a)

Conditionering

b)

Gewenning

c)

Imitatie

d)

Inprenting

34.

(H1) Bij het operant conditioneren van dieren wordt de respons (= reactie) beloond. Wanneer men ophoudt de respons te belonen, zal extinctie (= uitdoving) van de geconditioneerde respons optreden. Het verschijnsel extinctie wordt bij duiven in de volgende twee experimenten bestudeerd. In beide experimenten wordt een duif geconditioneerd om op een schakelaartje te pikken (= de respons). Als beloning ontvangt het dier een graankorrel.

 

experiment 1

- gedurende drie dagen wordt de duif geconditioneerd; hij krijgt een beloning direct na elke vijfde respons

- de vierde dag wordt de duif niet meer beloond

- resultaat: de extinctie is na tien uur bijna volledig

 

experiment 2

- gedurende drie dagen wordt de duif geconditioneerd; hij krijgt een beloning na een steeds wisselend aantal responsen

- de vierde dag wordt de duif niet meer beloond

- resultaat: de extinctie is na een week nog niet volledig

 

Over operant conditioneren worden de volgende beweringen gedaan:

1          de mate van extinctie van de geconditioneerde respons is afhankelijk van het patroon van beloningen geven,

2          wanneer er geen vast moment van beloning is, ontstaat ook geen geconditioneerde respons.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

geen van de bewer

b)

alleen 1

c)

alleen 2

d)

1 en 2

35.

(H2) Bacteriën en virussen

In een experiment worden bacteriën van dezelfde soort in twee oplossingen (1 en 2) met een verschillende osmotische waarde gelegd. In afbeelding 4 is het experiment schematisch weergegeven. Er is aangegeven wat in beide oplossingen met een bacterie gebeurt. De oplossingen bevatten gelijke hoeveelheden lysozymen. Lysozymen zijn enzymen die de wand van een bacterie aantasten.

In beide oplossingen komt de bacterie-inhoud vrij. In oplossing 1 barst de celmembraan, in oplossing 2 niet. De bacterie-inhoud is niet isotonisch met één van beide oplossingen.

  

Waardoor barst de celmembraan in oplossing 1 wel en in oplossing 2 niet?

a)

Doordat de osmotische waarde van oplossing 1 hoger is dan die van oplossing 2 en hoger dan die van de bacterie.

b)

Doordat de osmotische waarde van oplossing 1 hoger is dan die van oplossing 2, maar lager dan die van de bacterie.

c)

Doordat de osmotische waarde van oplossing 1 lager is dan die van oplossing 2. maar hoger dan die van de bacterie.

d)

Doordat de osmotische waarde van oplossing 1 lager is dan die van oplossing 2 en lager dan die van de bacterie.

36.

(H4) Cellen nemen uit het bloed stoffen op die worden gebruikt voor de synthese van celmateriaal. De opname van stoffen (per gram weefsel per maand) door cellen in verschillende organen van het voortplantingsstelsel van een vrouw van twintig jaar wordt vergeleken. De vrouw is niet in verwachting. Enkele organen (van het voortplantingsstelsel) zijn: baarmoeder, eierstokken, eileiders en vagina.

In welk(e) van deze organen is de opname van stoffen voor de synthese van celmateriaal gemiddeld het grootst?

a)

Baarmoeder

b)

Eierstokken

c)

Eileiders

d)

Vagina

37.

(H4) De mate van afgifte van geslachtshormonen verandert gedurende het leven van een vrouw. In het diagram van afbeelding 9 is de totale concentratie van de hormonen FSH + LH per etmaal in de urine van een vrouw weergegeven. Vier perioden in haar leven zijn aangegeven met P, Q, R en S.

Gedurende welke van deze perioden is de concentratie van oestradiol in haar bloed gemiddeld het hoogst?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

38.

H3

4 lines
39.

(H1) Volggedrag

De jongen van bepaalde vogels, zoals ganzen, vertonen volggedrag. In de natuurlijke situatie lopen jonge ganzen, nadat ze uit het ei zijn gekomen, steeds met hun moeder mee. Om dit volggedrag te bestuderen doet een onderzoeker het volgende experiment. Ganzeneieren worden uitgebroed in een broedmachine. Het eerste bewegende voorwerp dat de gans na het uitkomen te zien krijgt, is een speelgoedeend op wieltjes die over de grond wordt voortgetrokken. Deze proef wordt met een groot aantal ganzen uitgevoerd; daarbij vindt de eerste confrontatie met de bewegende speelgoedeend plaats 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22 of 24 uur na het uitkomen. De onderzoeker registreert of de jonge gans die op één van de genoemde tijdstippen voor het eerst de bewegende speelgoedeend ziet, volggedrag gaat vertonen. Zijn resultaten zijn weergeven in het diagram van afbeelding 1.

Wat is de biologische term voor het leerproces waardoor een jonge gans het volggedrag gaat vertonen?

(a)  

40.

(H1) Een rat wordt getraind in een Skinner box.

De training in de Skinner box begint met een dier dat nog niet getraind is.

Het duwen tegen de hefboom zorgt dat er voer komt.

Maar door welk leerproces komt de ongetrainde rat er achter dat het duwen van de hefboom hem wat oplevert?

(a)  

41.

H7

Tussen de 400 en 350 miljoen jaar geleden zijn er uit vissen vierpotige landdieren ontstaan. De overgang van water naar land was mogelijk dankzij een aantal ingrijpende aanpassingen.

Om de evolutionaire ontwikkeling van deze aanpassingen te volgen worden fossielen vergeleken met nu nog levende organismen. Daarbij is het van belang te weten welke nu nog levende vissoort het meest verwant is aan de vissen die als eerste ‘vin aan wal’ zetten. Twee kwastvinnige vissoorten komen in aanmerking: de longvis en de coelacanth.

Om de meest recente voorouder van gewervelde landdieren en kwastvinnigen te achterhalen, is met behulp van DNA-analyse de verwantschap van verschillende soorten gewervelden bepaald. Deze verwantschap is weergegeven in afbeelding 4.

Welke van de visachtigen is het meest verwant met vierpotige gewervelden?

a)

Longvis

b)

Coelacanth

c)

Zebravis

d)

Hondshaai

42.

(H2) Een leerling heeft twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Zij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd. Zij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht. Vervolgens brengt zij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Zij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet haar resultaten uit in twee grafieken, zie afbeelding 2. Is de stevigheid van cel 1 op tijdstip P kleiner dan, gelijk aan of groter dan die   op tijdstip t = 0?

a)
kleiner dan
b)
gelijk aan
c)
groter dan
43.

(H2) Bij een bepaalde plantensoort hebben de planten paarse bladeren. De paarse kleur wordt veroorzaakt door een kleurstof in het vacuolevocht. Op een gegeven moment hangen de bladeren van een plant van deze soort een beetje slap. Een preparaat met enkele levende cellen van een blad van deze plant wordt in gedestilleerd water gelegd. Wat gebeurt er vervolgens met de kleur van het vacuolevocht in deze cellen? Wat is hiervoor de verklaring?

a)
De kleur van het vacuolevocht blijft onveranderd, doordat het celmembraan niet doorlaatbaar is voor de kleurstof.
b)
De kleur van het vacuolevocht wordt lichter, doordat er water de vacuole binnenkomt.
c)
De kleur van het vacuolevocht wordt lichter, doordat er kleurstof de vacuole uitgaat.
d)
De kleur van het vacuolevocht wordt donkerder, doordat er water de vacuole uit gaat.
44.

(h=H7) Nikhil, Richard en Danielle praten over fossielen. Nikhil zegt: 'Fossielen ontstaan als resten van dode organismen worden afgesloten van de lucht door een laag zand of klei.' Richard zegt: 'Uit gevonden fossielen blijkt dat in de loop van de evolutie alle soorten hetzelfde zijn gebleven.' Danielle zegt: 'Van naaktslakken worden minder fossielen gevonden dan van huisjesslakken.' Wie heeft of hebben er gelijk?

a)
alleen Nikhil
b)
alleen Richard
c)
Nikhil en Richard
d)
Nikhil en Danielle
45.

(H7) In een populatie korenwolven heeft 25% een licht vacht. Dit allel is recessief. Wat is de allelfrequentie van q? (Hardy-Weinberg)

a)

0,125

b)

0,25

c)

0,5

d)

0,75

46.

(H7) Geef de frequentie van de mannen:

(a)  

47.
Twee uitspraken:
* Meike zegt dat een Archae geen organen en orgaanstelsels bezit
* Wiebe zegt dat een chimpansee prokaryoot is
Wie heeft of hebben er gelijk?
a)
Beide ongelijk
b)
Meike heeft gelijk
c)
Wiebe heeft gelijk
d)
Beide gelijk
48.
Enkele gebeurtenissen:
1. De populatie bestaat voornamelijk uit bruine slakken
2. Er overleven meer bruine slakken, waardoor deze meer nakomelingen kunnen produceren
3. In de populatie komen zowel gele als bruine slakken voor
4. Slakken met een geel huisje zijn minder gecamoufleerd en worden eerder opgegeten door vogels
In welke volgorde moet je de gebeurtenissen zetten, zodat er sprake is van natuurlijke selectie?
a)
1243
b)
3412
c)
3421
d)
2134
49.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
50.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
51.
In vier celkernen van mensen zitten de volgende geslachtschromosomen:
Celkern 1: XX
Celkern 2: X
Celkern 3: XY
Celkern 4: Y
Welke celkern (nummer noemen) kan van een darmcel van een man zijn?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
52.
Welk orgaan hoort bij de volgende beschrijving:
"...vervoeren zaadcellen"
a)
Teelbal
b)
Balzak
c)
Bijbal
d)
Zaadleider
53.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

54.
Een zoute haring uit een viswinkel is
a)
Levenloos
b)
Dood
c)
Levend
55.

Men kruist een bruingele cavia met een witte. In de F2 krijgt men 134 bruingele, 265 lichtgele en 137 witte dieren.

Waarvan is hier sprake?

a)

X-chromosomale overerving

b)

dihybride kruising

c)

intermediair fenotype

d)

multipele allelen

56.

Een genotype met twee dezelfde allelen noemen we ook wel

a)

monohybride

b)

dihybride

c)

homozygoot

d)

heterozygoot

57.

Hoe groot is de kans dat een man en een vrouw die beide bloedgroep AB hebben een kind met bloedgroep AB krijgen?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

58.
Wijsheidstanden, de appendix, het staartbeentje zijn voorbeelden van....
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
59.

Als een populatie te klein wordt, neemt de overlevingskans van de populatie sterker af dan op grond van het probleem van paarvorming mag worden verwacht.

Waardoor neemt de kans op overleven af als de populatie kleiner wordt?

a)

Een kleine populatie heeft een kleine genetische variatie

b)

Een kleine populatie heeft meer emigratie dan immigratie

c)

Een kleine populatie is een eenvoudige prooi voor roofdieren

d)

Een kleine populatie wordt makkelijk weggeconcurreerd

60.

Wat is geen voorbeeld van evolueren van een soort?

a)

Giraffen hebben door de eeuwen heen een langere nek gekregen

b)

Kikkers zijn van een eitje naar een kikkervisje veranderd

c)

IJsberen hebben een steeds lichtere vacht gekregen

d)

Berkenspanners (vlinders) hebben donkere vleugels gekregen

61.

Wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende dieren in een gebied.

b)

Het aantal verschillende soorten in een gebied.

c)

Het aantal verschillende planten in een gebied.

d)

Het aantal verschillende abiotische factoren in een gebied

62.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
63.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
64.

De maximale populatiegrootte waarvoor in een gebied voldoende voedsel-, schuil- en nestplaatsen zijn, noemen we …………………………………….. van het gebied.

a)

de draagkracht

b)

de populatiedichtheid

c)

het tolerantiegebied

d)

de optimumwaarde

65.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

c)

Schakelzenuw

66.

Waaruit bestaat het perifeer zenuwstelsel? (tip: binas ...)

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Orthosympatisch en parasympatisch

c)

Sensorisch en motorisch deel

d)

Autonoom en animaal

67.
Wat is NIET waar?
a)
De impulsfrequentie is altijd gelijk.
b)
De impulssterkte is altijd gelijk.
c)
De drempelwaarde ligt meestal rond -50 mV
d)
Eem natrium-kaliumpomp heeft ATP nodig om te kunnen werken.
68.

Iemand schrijft een brief. Is op dat moment het animale zenuwstelsel actief? En het autonome zenuwstelsel?

a)

Alleen het autonome zenuwstelsel is actief

b)

Alleen het animale zenuwstelsel is actief

c)

Zowel het autonome als het animale zenuwstelsel zijn actief

d)

Geen van beide zijn actief

69.

Koolstofdioxide + glucose + licht --> zuurstof + water

Over bovenstaande reactie worden twee uitspraken gedaan:

1) Dit is een voorbeeld van stofwisseling

2) Bovenstaande reactie vindt plaats in heterotrofe organismen

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

a)

Geen van beide

b)

Alleen 1

c)

Alleen 2

d)

Beide juist