Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M4D herhalen hoofdgedachte onderwerp etc

Total questions: 21

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

Wat niet belangrijk is in een tekst.

b)

Het belangrijkste van de tekst in 1 zin samengevat.

c)

Wat het belangrijkste is in een tekst.

d)

De titel, inleiding en het slot.

2.

Waar staan meestal de bijzaken?

a)

In de titel

b)

In de inleiding

c)

In de kern

d)

In het slot

3.

Wat is de bron van de tekst?

a)

rood met witte strepen

b)

www.artsenzondergrenzen.nl

c)

Artsen zonder Grenzen

d)

Tekst 1

4.
Eén van de opties hieronder is geen tekstdoel. Welke?
a)
Informeren
b)
Instructie geven
c)
Verwijzen
d)
Overtuigen
5.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
6.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
7.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

8.
Het onderwerp is een hele zin
a)
Juist
b)
Onjuist
9.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
10.
De hoofdgedachte is ...
a)
Een zin met bijzaken
b)
Een zin met hoofdzaken en bijzaken
c)
Een zin waarin de belangrijkste informatie staat
d)
Een zin met de gedachten van de schrijver
11.
De hoofdgedachte vind je door ...
a)
Globaal te lezen
b)
Oriënterend te lezen
c)
Precies te lezen
12.
Hoofdzaken zijn ... 
a)
Erg belangrijk 
b)
Niet zo belangrijk om een tekst te begrijpen
13.

Waar vind je kernzinnen vaak?

a)

Geen idee

b)

De eerste, tweede of laatste zin van een alinea

c)

De eerste of de laatste zin van een alinea

d)

Geen van alle antwoorden

14.

Wat staat er voor of na de kernzin in een alinea?

a)

Onzin

b)

Uitleg of voorbeelden

c)

Feiten en nog meer kernzinnen

d)

Meningen

15.

Wat is het tekstdoel van een betogende tekst?

a)

Informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

16.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
17.
• Bekijk de tekst:  – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst.  –  Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan.  –  Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte.  – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd).  • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
18.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
19.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
20.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Kleine kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

21.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Jonge kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden