wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

D2L3 - Soorten zinnen

Total questions: 17

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je zegt je broertje dat hij van je speelgoed moet afblijven.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

2.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je vertelt over je eerste schooldag.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

3.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je wil weten of je vriendin meegaat naar een feestje.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

4.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je wil meer zakgeld krijgen van je ouders.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

5.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je stoot je teen en hebt pijn.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

6.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je legt aan een toerist uit hoe hij tot aan de kerk wandelt.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

7.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je wil nog een extra stukje taart.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

8.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


De hond moet zijn poten van de tafel halen.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

9.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je wil weten hoelang de les nog duurt.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

10.

Welk soort zin gebruik je in deze situatie?


Je spreekt met je vrienden af wanneer jullie gaan gamen.

a)

mededelende zin

b)

bevelende zin

c)

vragende zin

d)

uitroepende zin

11.

Vul de zin aan met het juiste leesteken.


Geef me de hamer

a)

.

b)

!

c)

?

12.

Vul de zin aan met het juiste leesteken.


Welke hamer bedoel je

a)

.

b)

!

c)

?

13.

Vul de zin aan met het juiste leesteken.


Ik bedoel de klein gele hamer

a)

.

b)

!

c)

?

14.

Duid alle vraagwoordvragen aan.

a)

Welk merk koop jij?

b)

Waarmee heb je het brood gesneden?

c)

Lust je boter op je boterham?

d)

Je hebt de pot choco leeggemaakt, he?

15.

Duid alle aanhangselvragen aan.

a)

Welke recordtijd heeft hij gebroken?

b)

Wie is de snelste loper?

c)

Trainde hij veel?

d)

Je was onder de indruk van die tijd, toch?

16.

Duid alle ja-neevragen aan.

a)

Je bent het zat, nietwaar?

b)

Wat werd er gezegd?

c)

Geef je het op?

d)

Heb je dat nieuwtje gehoord?

e)

Je bent boos?

17.

Duid alle intonatievragen aan.

a)

Echt niet te geloven, hé?

b)

Hoeveel volgers heeft hij nog nodig?

c)

Je hebt die post op Instagram ook gezien?

d)

Sinds wanneer zijn die twee vrienden op sociale media?