wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vraag en Aanbod VWO 4

Total questions: 21

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat kan een oorzaak zijn van de verschuiving van de vraaglijn naar rechts?

a)

De prijs van het product is gestegen

b)

De prijs van het product is gedaald

c)

Het inkomen van consumenten is gestegen

d)

Het inkomen van consumenten is gedaald

2.

Wat kan een oorzaak zijn van de verschuiving van de aanbodlijn naar links?

a)

De prijs van het product is gestegen

b)

De prijs van het product is gedaald

c)

De prijs van grondstoffen zijn gedaald

d)

De prijs van grondstoffen zijn gestegen

3.

Welke curve kan deze lijn zijn?

a)

een aanbodcurve

b)

een vraagcurve

4.

Welke grafiek hoort bij de vergelijking Qv = -2p + 20?

a)

de grafiek linksboven

b)

de grafiek rechtsboven

c)

de grafiek linksonder

d)

de grafiek rechtsonder

5.

De constante kosten bedragen in dit geval

a)

0 euro

b)

4 euro

c)

4.000 euro

d)

14.000 euro

6.

De winst bij een productie van 1.500 stuks bedraagt

a)

2.000 euro

b)

4.000 euro

c)

6.000 euro

d)

11.000 euro

7.

Als geldt TO = 50Q dan,

a)

worden er 50 stuks verkocht

b)

is de verkoopprijs 50 euro

c)

zijn de gemiddeld variabele kosten 50

d)

Zijn de gemiddelde opbrengsten kleiner dan 50

8.

Als geldt TK = 30Q + 1.000 dan

a)

Zijn de constante kosten 1.000 euro en de variabele kosten degressief

b)

Zijn de constante kosten 1.000 euro en de variabele kosten proportioneel

c)

Zijn de constante kosten 1.000 euro en de variabele kosten progressief

9.

Een bedrijf verkoopt 100 producten tegen een prijs van €25. De kosten worden weergegeven met TK = 5Q + 500. Het break-even punt ligt dan bij:

a)

20 stuks

b)

25 stuks

c)

100 stuks

10.

Stel dat de marginale opbrengsten groter zijn dan de marginale kosten dan

a)

Stopt een producent met produceren

b)

Gaat een producent door totdat de marginale winst negatief is

c)

Gaat een producent door totdat de marginale kosten gelijk zijn aan de marginale opbrengsten.

11.

Een complementair goed is....

a)

Product dat samen met een ander product voorziet in een behoefte

b)

Een product dat een ander product kan vervangen in de behoefte

12.

Break even point.....

a)

Productieomvang waarbij de totale opbrengsten gelijk is aan de totale kosten

b)

Productieomvang waarbij de winst maximaal is

c)

Productieomvang waarbij de totale kosten het laagst zijn

13.

Variabele kosten

a)

De kosten die variëren afhankelijk van de productieomvang

b)

De vaste kosten ongeacht de productieomvang

c)

De combinatie van vaste lasten en kosten die variëren afhankelijk van de productieomvang

14.

Wat is betalingsbereidheid?

a)

De minimumprijs die een aanbieder wil hebben voor zijn product

b)

De maximale prijs die een consument of product voor een goed wil geven

c)

De prijs die ontstaat op basis van het aanbieders en vragers in markt en aanbod en daarmee dus de marktprijs van het product

15.
Als je inkomen toeneemt, neemt de vraag naar primaire goederen ..
a)
meer dan evenredig toe.
b)
minder dan evenredig toe.
16.
Bij secundaire goederen gaat het om luxe goederen die niet echt nodig zijn. Zulke luxe goederen worden pas gekocht na het bereiken van een zeker inkomen. Dit noemen we:
a)
basisinkomen
b)
drempelinkomen
c)
netto-inkomen
d)
bruto-inkomen
17.
Van deze goederen koopt een consument bij stijging van zijn inkomen op een gegeven moment minder, omdat hij zich dan duurdere kwaliteiten kan veroorloven. Dit zijn:
a)
drempelgoederen
b)
basisgoederen
c)
inferieure goederen
d)
waarde goederen
18.

Een voorbeeld van een abstracte markt is hier ...

a)

... de supermarkt

b)

... de huizenmarkt

c)

... een kunstveiling in Berlijn

d)

... de bouwmarkt in Leusden

19.

Bij een prijs boven de evenwichtsprijs

a)

is er sprake van een vraagoverschot

b)

is er sprake van een aanbodsoverschot

20.

Qa= 8P -10

Qv= -2P + 90

Wat is de evenwichtsprijs

a)

10

b)

5

c)

-5

d)

20

21.

Welke posten staan op een balans

a)

debiteuren en omzet

b)

rente en omzet

c)

winst en lening bank

d)

bank en eigen vermogen