wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijdvak 1 - BB

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord hoort niet bij jagers-verzamelaars?

a)

Nomaden

b)

Grotschilderingen

c)

Brood

d)

Wapens

2.

In welke volgorde ontstonden de volgende begrippen:


Jagers, Ambachtslieden, Steden, Landbouwrevolutie

a)

Jagers - Landbouwrevolutie - Ambachtslieden - Steden

b)

Landbouwrevolutie - Jagers - Steden - Ambachtslieden

c)

Jagers - Landbouwrevolutie - Steden - Ambachtslieden

d)

Landbouwrevolutie - Ambachtslieden - Steden - Jagers

3.

Gegeven: "Rond 5300 v. Chr. ontstond de eerste landbouw in Nederland"


Wat weet je hierdoor zeker?

a)

Vanaf ca. 5300 v. Chr. begonnen jagers-verzamelaars in ons gebied plaats te maken voor boeren

b)

Rond 5300 v. Chr. ontstonden er steden in Nederland

c)

De prehistorie hield rond 5300 v. Chr. op in Nederland

d)

In 5300 v. Chr. werden Hunebedden gebouwd

4.

Bij welk kenmerkend aspect van tijdvak 1 past dit plaatje het best?

a)

De levenswijze van jager-verzamelaars

b)

Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

c)

Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

5.

Welke van de volgende beweringen is juist?


1: De jagers-verzamelaars kenden sociale verschillen

2: In de landbouwsamenleving bewaarde men voedsel in potten

a)

Alleen bewering 1 is juist

b)

Alleen bewering 2 is juist

c)

Allebei de beweringen zijn juist

d)

Geen van de beweringen zijn juist

6.

Welke van de volgende kenmerken hoort niet bij steden in de prehistorie?

a)

Voedsel bewaren in potten

b)

Priesters

c)

Beschaving

d)

Iedereen betrokken bij de voedselproductie

7.

Welke van de onderstaande beweringen is juist?


1: Jager-verzamelaars voerden geen oorlog

2: Jager-verzamelaars maakten hun dieren tam

a)

Alleen bewering 1 is juist

b)

Alleen bewering 2 is juist

c)

Allebei de beweringen zijn juist

d)

Allebei de beweringen zijn onjuist

8.

Welke van de onderstaande ontwikkelingen was GEEN oorzaak voor de uitvinding van het schrift?

a)

Het ontstaan van ruilhandel

b)

Het ontstaan van sociale verschillen in de eerste stedelijke gemeenschappen

c)

De ontwikkeling van de godsdienst geleidt door priesters

d)

De ontwikkeling van het bestuur van de eerste steden

9.

Plaats de volgende gebeurtenissen in volgorde, de oudste eerst!


1: De eerste wetten worden op kleitablet geschreven

2: De eerste sociale verschillen ontstaan

3: De eerste wapens worden ontwikkeld

4: De eerste huizen worden gebouwd

a)

2 - 3 - 4 - 1

b)

4 - 3 - 2 - 1

c)

3 - 4 - 2 - 1

d)

3 - 2 - 4 - 1

10.

Welke van de onderstaande ontwikkelingen is geen gevolg van de landbouwrevolutie?

a)

De uitvinding van de ploeg

b)

Het ontstaan van de eerste steden

c)

Het ontstaan van kunst

d)

De uitvinding van het wiel

11.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

De levenswijze van jagers en verzamelaars

b)

Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

c)

Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

12.

Bekijk de tekening welke gemaakt is op basis van archeologische vondsten.

Welke uitspraak over deze bron is correct?

a)

Dit is een ongeschreven primaire bron uit de prehistorie

b)

Dit is een reconstructietekening, dus een ongeschreven secundaire bron.

c)

Het is geen bron want het is niet in de prehistorie gemaakt

13.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

De levenswijze van jagers en verzamelaars

b)

Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

c)

Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

14.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

Uit het wetboek van koning Hammoerabi: "Heeft een bouwmeester een huis gebouwd dat instort, en de bewoner wordt daarbij gedood, dan zal die bouwmeester gedood worden; wordt de zoon van de bewoner gedood, dan zal de zoon van de bouwmeester gedood worden.”

a)

De levenswijze van jagers en verzamelaars

b)

Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

c)

Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

15.

Hoe noemen we tijdvak 1?

a)

Tijd van Grieken en Romeinen

b)

Tijd van jagers en boeren

c)

Tijd van steden en staten

d)

Tijd van monniken en ridders

16.

Welk begrip heeft als omschrijving: "Mensen die van plaats tot plaats trekken om zo te overleven"

a)

Nomaden

b)

Trektochten

c)

Verhuizers

d)

Boeren

17.

periode en tijdvak, welke zin is juist?

a)

In de periode Steentijd valt het tijdvak Jagers en Verzamelaars

b)

in de periode Prehistorie valt het tijdvak Jagers en Verzamelaars

c)

in het tijdvak Prehistorie valt de periode Jagers en Boeren

d)

In de periode Prehistorie valt het tijdvak Jagers en Boeren

18.

Door landbouwoverschotten werd specialisatie mogelijk. Deze uitspraak is

a)

onjuist

b)

gedeeltelijk onjuist

c)

gedeeltelijk juist

d)

juist