Worksheetsklas 3 Lezen H1H2
Total questions: 24
Worksheet time: 12mins
Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
3.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
4.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
5.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
6.
• Bekijk de tekst: – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst. – Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan. – Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte. – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd). • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
7.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
8.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
9.
Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst kort herhaald.
a)
in de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
in het slot
10.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
11.
Een onbekend woord in een tekst kun je soms begrijpen doordat er een omschrijving van het woord bij staat.
a)
waar
b)
niet waar
12.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
a)
fout
b)
goed
13.
Ook een dubbele punt (:) kan aangeven dat er voorbeelden volgen
a)
fout
b)
goed
14.
De hoofdgedachte staat meestal in de
a)
middenstuk-slot
b)
inleiding of in het slot.
c)
inleiding- middenstuk
15.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
16.
De hoofdgedachte is ...
a)
Een zin met bijzaken
b)
Een zin met hoofdzaken en bijzaken
c)
Een zin waarin de belangrijkste informatie staat
d)
Een zin met de gedachten van de schrijver
17.
Hoofdzaken zijn ...
a)
Erg belangrijk
b)
Niet zo belangrijk om een tekst te begrijpen
18.
Waar vind je kernzinnen vaak?
a)
Geen idee
b)
De eerste, tweede of laatste zin van een alinea
c)
De eerste of de laatste zin van een alinea
d)
Geen van alle antwoorden
19.
welk plaatje is de activerende tekst?
a)
b)
c)
d)
20.
Welk plaatje is een informerende tekst?
a)
b)
c)
d)
21.
Welk tekstdoel is dit?
a)
Informeren
b)
Overtuigen
c)
Waarschuwen
d)
Tot handelen aanzetten
e)
Instrueren
22.
Wat is het tekstdoel?
a)
Informeren
b)
Instrueren
c)
Overtuigen
d)
Amuseren
e)
Waarschuwen
23.
Voor welk publiek is deze tekst?
a)
Jonge kinderen
b)
Jongeren (12-18 jaar)
c)
Volwassenen (19-60 jaar)
d)
Bejaarden
24.
Voor welk publiek is deze tekst?
a)
Kleine kinderen
b)
Jongeren (12-18 jaar)
c)
Volwassenen (19-60 jaar)
d)
Bejaarden
100 %
