wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 havo werkwoordspelling vanaf 0

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de stam van een werkwoord? Kies het beste antwoord.

a)

De ik-vorm

b)

Het hele werkwoord -en.

c)

De ik-vorm van het zwakke werkwoord.

d)

Dat ligt eraan of het binnen 'T eX KoFSCHiP valt.

2.

Wat is de stam van lopen? Kies het beste antwoord.

a)

loop

b)

Dat is loopt of loop (als 'je' onderwerp is en erachter komt).

c)

lop

d)

Dat ligt eraan of het binnen 'T eX KoFSCHiP valt.

3.

Wat is de stam van geven? Kies het beste antwoord.

a)

geeft

b)

geef

c)

geven

d)

gev

4.

Wat is de stam van houden? Kies het beste antwoord.

a)

hou

b)

houd

c)

houdt

d)

hield

5.

Welke regel gebruik je voor een werkwoord in de tegenwoordige tijd?

a)

T eX KoFSCHiP

b)

Stam+t

c)

Dat ligt eraan of het een sterk werkwoord is: Stam+t en bij zwakke werkwoorden 'T eX KoFSCHiP.

d)

Je zet het werkwoord in de andere tijd en dan weet je of je een 't' of een 'd' moet gebruiken.

6.

Welke regel gebruik je voor een werkwoord in de verleden tijd?

a)

T eX KoFSCHiP

b)

Stam+t

c)

Dat ligt eraan of het een sterk werkwoord is: Stam+t en bij zwakke werkwoorden 'T eX KoFSCHiP.

d)

Je zet het werkwoord in de andere tijd en dan weet je of je een 't' of een 'd' moet gebruiken.

7.

De leerlingen (breien) voor de eerste keer. (vt)

a)

breide

b)

breidde

c)

breiden

d)

breidden

8.

De leerkracht (verbazen) zich over de hoge cijfers. (vt)

a)

verbaast

b)

verbaasde

c)

verbaazt

d)

verbaazde

9.

De tandarts (flossen) elke dag zijn tanden. (tt)

a)

flosst

b)

flossd

c)

flosd

d)

flost

10.

Wat is GEEN werkwoordsvorm?

a)

onvoltooid deelwoord

b)

bijvoeglijk gebruikt deelwoord

c)

lijdend voorwerp

d)

persoonsvorm

11.

Heeft deze zeiler altijd een ........... (zwerven) bestaan geleid?

a)

zworvend

b)

gezworven

c)

zwervend

d)

gezwervend

12.

Bij sterke werkwoorden gebruik je de regel van 't ex-kofschip in de verleden tijd.

a)

waar

b)

niet waar

13.

De veehouder ........ (melden vt.) (lachen) de geboorte van twee kalfjes.

a)

meldde, lachte

b)

meldt, lachend

c)

meldde, lachend

d)

melde, lachent

14.

Vul de pvtt in:

Misschien (wassen) hij de auto's voor een goed doel.

a)

wasde

b)

waste

c)

wast

d)

wasdt

15.

Vul de pv tt in:


Lara (kunnen) erg mooi tekenen.

a)

kan

b)

kon

c)

ken

d)

kent

16.

Vul de pv tt in:

Ik (ontleden) de zinnen uit het boek.

a)

ontleet

b)

ontleede

c)

ontleed

d)

ontleedt

17.

Heeft deze zeiler altijd een (zwerven) bestaan geleid?

a)

zworvend

b)

gezworven

c)

zwervend

d)

gezwervend