wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 oefentoets

Total questions: 21

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

De stikstof in nitraationen wordt door de producenten onder andere gebruikt voor de productie van stoffen die als voedingsstof van groot belang zijn voor consumenten.

Welke stoffen zijn dit?

a)

Koolhydraten

b)

Eiwitten

c)

Vetten

d)

Cellulose

2.

Een bakker maakt deeg van meel, gist, suiker, keukenzout en water. Vervolgens laat hij een deel van het deeg rijzen bij 25 °C en een even groot deel bij 35 °C. Alle andere omstandigheden zijn gelijk.

Gedurende een uur meet hij elke 10 minuten hoe groot het volume van het deeg is.

De resultaten zet hij uit in de diagram


Welke van de stoffen alcohol, koolstofdioxide en water heeft of hebben er in belangrijke mate voor gezorgd dat het volume van het deeg is toegenomen?

a)

Alleen koolstofdioxide

b)

Alleen koolstofdioxide en water

c)

alcohol, koolstofdioxide en water

3.

Vinden in de gistcellen in rijzend deeg alleen assimilatieprocessen, alleen dissimilatieprocessen of beide typen processen plaats?

a)

Alleen assimilatieprocessen

b)

Alleen dissimilatieprocessen

c)

Zowel assimilatieprocessen als dissimilatieprocessen

4.

De bakker vraagt zich af of 35 °C het optimum is voor het rijzen van dit deeg. Zijn drie collega's zeggen daarover het

volgende.

- Collega 1 zegt: "Ja, 35 °C is het optimum, want de grafiek gaat horizontaal lopen."

- Collega 2 zegt: "Het optimum ligt bij 35 °C of hoger; om het optimum precies te bepalen, moet je deeg met gist laten rijzen bij 35 °C en bij verschillende hogere temperaturen."

- Collega 3 zegt: "Over het optimum is op grond van deze resultaten geen voorspelling te doen; om het optimum te bepalen, moet je deeg met gist laten rijzen bij verschillende

temperaturen boven en onder de 35 °C."


Welke collega doet een juiste uitspraak?

a)

Collega 1

b)

Collega 2

c)

Collega 3

5.

Mest


Ammonium-ionen in de bodem worden omgezet in nitraat. Voor planten met bladgroen is nitraat een belangrijke stol

Voor de productie van welke stoffen vooral is nitraat een belangrijke grondstof?

a)

voor de productie van eiwitten

b)

voor de productie van koolhydraten

c)

voor de productie van vetten

6.

Voorkómen van sportblessures


In de brochure staat dat door cooling-down afvalstoffen uit de spieren worden verwijderd.

Welke "afvalstof" ontstaat in spieren bij dissimilatie zonder zuurstof?

a)

Alcohol

b)

Koolstofdioxide

c)

Melkzuur

d)

Stikstof

7.

In spieren van de mens vinden onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaats:


1 opbouw van eiwitten uit aminozuren,

2 vorming van melkzuur uit glucose,

3 vorming van glycogeen uit glucose,

4 vorming van CO2 en H2O uit glucose en O2.


Bij welk of bij welke van deze processen komt energie vrij die kan worden gebruikt voor het samentrekken van de spieren?

a)

alleen bij proces 3

b)

alleen bij proces 4

c)

bij de processen 1 en 3

d)

bij de processen 2 en 4

8.

Iemand heeft zelf aardbeienjam gemaakt. Na een paar maanden opent hij een pot jam. Bij het openen van de pot komt er wat gas vrij. De jam ruikt naar alcohol.

Welke omzetting heeft in deze pot jam plaatsgevonden?

a)

dissimilatie van glucose met zuurstof waarbij alcohol en CO2 zijn ontstaan

b)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en CO2 zijn ontstaan

c)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en O2 zijn ontstaan

9.

Een onrijpe appel is bepaald niet lekker (volgens sommigen).

Tijdens het rijpen wordt de appel zoeter. Ook verandert de kleur meestal van groen naar geel of rood. Bovendien wordt de appel zachter doordat delen van celwanden worden afgebroken door enzymen.

Het rijpen van appels kan door koeling worden geremd.


Welk van de processen die bij het rijpen betrokken zijn wordt of welke worden door de lage temperatuur geremd?

a)

alleen het zoeter worden

b)

alleen de verandering van kleur en het zachter worden

c)

de verandering van kleur, het zachter worden en het zoeter worden

10.

Door het eten van overrijpe appels, die al wat beginnen te bederven, kunnen dieren dronken worden.

Als gevolg van welke omzetting of welke omzettingen in de appels kunnen dieren die van de appels eten, dronken worden?

a)

alleen als gevolg van dissimilatie met zuurstof

b)

alleen als gevolg van dissimilatie zonder zuurstof

c)

als gevolg van dissimilatie met zuurstof én als gevolg van dissimilatie zonder zuurstof

11.

Bij meting van het zuurstofverbruik van een plant moet je er rekening mee houden dat een plant niet alleen zuurstof verbruikt, maar ook zuurstof kan produceren.

Onder welke omstandigheden kun je het zuurstofverbruik van een plant zuiver meten?

a)

In het licht

b)

In het donker

c)

Zowel in het donker als in het licht

12.

Schaduw,- en lichtbladeren


Er wordt een experiment uitgevoerd bij deze twee typen bladeren van een loofboom. Hierbij wordt het verband bepaald tussen de verlichtingssterkte en de opname van koolstofdioxide uit de lucht of de afgifte van koolstofdioxide aan de lucht. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding. Je mag aannemen dat de intensiteit van de dissimilatie onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Bij welke blad is 10 mW/cm2 een beperkende factor?

a)

bij de zonnebladeren

b)

bij de schaduwbladeren

c)

bij zowel de zonnebladeren als de schaduwbladeren

13.

Draadwier (een draadvormig wier ;)


Een onderzoeker maakt een microscopisch preparaat van zo'n draadwier in water. Hij voegt aan het preparaat bacteriën toe die een plaats opzoeken waar veel zuurstof aanwezig is. Vervolgens laat hij vier verschillende kleuren licht naast elkaar op het preparaat vallen: rood, oranje, geel en groen licht. In de afbeelding is weergegeven welk beeld hij na verloop van tijd ziet.

Bij welke kleur licht vindt de meeste fotosynthese plaats?

a)

Rood

b)

Oranje

c)

Geel

d)

Groen

14.

Vergelijk de aerobe afbraak van glucose met de afbraak van glucose onder anaerobe omstandigheden.


Onder anaerobe omstandigheden wordt uit 1 glucosemolecuul:

a)

een groter molecuul als eindproduct gevormd

b)

meer ATP gevormd

c)

meer energie vrijgemaakt

d)

meer koolstofdioxide gevormd

15.

Een bepaald organisme gebruikt voor de aerobe dissimilatie glucose waarin de zuurstof gemerkt is (18O).


In welke twee stoffen kunnen de radioactieve zuurstofatomen na de dissimilatie worden aangetroffen?

a)

in koolstofdioxide

b)

in melkzuur

c)

in water

d)

in zuurstofgas

16.

Bekijk de structuurformule van een vet uit vetweefsel.

Welke stoffen ontstaan als stofwisselingsproducten bij de aerobe dissimilatie van dit vet?

a)

Koolstofdioxide

b)

Melkzuur

c)

Water

d)

Aminozuren

17.

Bekijk de structuurformule van een aminozuur.

Welke stoffen ontstaan als stofwisselingsproducten bij de aerobe dissimilatie van dit aminozuur?

a)

ammoniak

b)

koolstofdioxide

c)

water

18.

Twee geraniumplanten staan 48 uur in het donker. Daarna worden ze elk afzonderlijk in een ruime glazen bak gezet, die luchtdicht wordt afgesloten. Bak 1 bevat lucht met koolstofdioxide. Bak 2 bevat lucht en een stof die alle koolstofdioxide uit de lucht haalt.

Van beide geraniums is een blad beplakt met een letter A van zwart papier. De planten worden 12 uur belicht.

Daarna worden de beplakte bladeren van de plant afgehaald en met jodium onderzocht op de aanwezigheid van zetmeel.

Op welk blad of op welke bladeren zal de letter A zichtbaar worden?

a)

Alleen op het blad uit bak 1

b)

Alleen op het blad uit bak 2

c)

Op geen van beide bladeren

d)

zowel op het blad uit bak 1 als op het blad uit bak 2

19.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid enzym tijdens het katalyseren van een reactie?

a)

De hoeveelheid enzymen neemt toe

b)

De hoeveelheid enzymen blijft gelijk

c)

De hoeveelheid enzymen neemt af

20.

Welke stoffen herken je als enzymen?

a)

Amylase

b)

Lipase

c)

Pepsine

d)

Trypsine

21.

In een experiment wordt aan eiwitoplossingen van verschillende concentraties een enzym toegevoegd dat dit eiwit omzet.

De grafiek geeft het verband weer tussen de eiwitconcentratie en de snelheid waarmee dit eiwit wordt omgezet door het enzym. Tijdens het onderzoek was de pH constant en de temperatuur 30 °C. Bij het begin van ieder experiment was dezelfde hoeveelheid enzym aanwezig.


Wat is bij een eiwitconcentratie van 0,2 g/l de beperkende factor?

a)

eiwitconcentratie

b)

pH waarde

c)

temperatuur