Worksheetszwakke werkwoorden tt
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Mijn buurman (reizen tt) elke dag.
a)
reiz
b)
rijst
c)
reist
d)
reis
2.
Sarah (logeren tt) bij haar tante.
a)
logeerde
b)
logert
c)
logeerd
d)
logeert
3.
(verzinnen) tt je zus een leuk verhaal?
a)
verzinde
b)
verzon
c)
verzint
d)
verzind
4.
Als hij (ademhalen tt), zie je wolkjes uit zijn mond komen.
a)
adem haald
b)
adem haalt
c)
ademhaalt
d)
ademhaalde
5.
Daphne (samenvatten tt) het verhaal goed -.
a)
vat samen
b)
samenvat
c)
samenvatt
d)
vatt samen
6.
Hoe (schoonmaken tt) jij dat -?
a)
schoonmaakt
b)
maakt schoon
c)
maak schoon
d)
maakd schoon
7.
Morgen (leiden) de treinstaking tot problemen.
a)
leid
b)
leidt
c)
leit
d)
lijdt
8.
(Houden) de keeper die bal tegen?
a)
houdt
b)
houd
c)
hout
d)
hieldt
9.
(raden tt) je wie ik gisteren zag?
a)
raad
b)
radet
c)
raadt
d)
raadt
10.
Je (raden tt) nooit wie ik gisteren zag.
a)
raad
b)
radet
c)
raat
d)
raadt
100 %
