WorksheetsOefenen herfsttoets taaldenken
Total questions: 20
Worksheet time: 40mins
Wat is de pv in de zin?
Matteo heeft een snoepje gestolen.
(a)
Wat is de pv in de zin?
Marie-Lou is heel muzikaal.
(a)
Wat is de pv in de zin?
Dylani at een appel in de speeltijd.
(a)
Wat is de pv in de zin?
Donesa moet nog een eindje gaan wandelen.
(a)
Wat is de pv in de zin?
De boom kantelt naar voor.
(a)
Wat is de pv in de zin?
Nalani zwom naar de overkant.
(a)
Wat is de pv in de zin?
Maurice en Rosalie belden de politie.
(a)
In welke tijd staat deze zin?
De dokter overloopt mijn symptomen.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
In welke tijd staat deze zin?
Boris viel van de trap.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
In welke tijd staat deze zin?
Louise en Merel waren te laat op school.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
In welke tijd staat deze zin?
Hayley stapte van haar fiets op het pleintje voor de Schoolstraat.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
Zet het werkwoord om naar de tegenwoordige tijd.
er waren
(a)
Zet het werkwoord om naar de tegenwoordige tijd.
de weg leek
(a)
Zet het werkwoord om naar de tegenwoordige tijd.
Kobe gleed
(a)
Televisie, radio, kranten zijn allemaal verschillende...
(a)
Die woedende man (a) dat hij alles ging kapotslaan.
Geef een tegengesteld woord voor doodgewoon.
(a)
Hoe noem je het woord dat ongeveer hetzelfde betekent als een ander woord?
(a)
Als ik twee hobby’s wil combineren, betekent dat:
dat ik beide hobby’s wil blijven doen.
dat ik een van de twee hobby’s niet meer kan doen.
dat ik de ene hobby leuker vind dan de andere.
dat ik die twee hobby’s op hetzelfde moment moet doen.
Mededeling dat je je baan kwijt bent of dat je zelf weggaat.
(a)
