Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H6 en H8 - V4

Total questions: 47

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.
Een boom is
a)
heterotroof
b)
autotroof
2.
Wat heeft een plant nodig om eiwitten te maken
a)
zuurstof
b)
nitraat
c)
ammoniak
3.
Welke pyramide heeft een pyramide vorm?
a)
pyramide van aantallen
b)
pyramide van biomassa
4.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
5.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
6.
Bij insecten is de verhouding tussen opgenomen en doorgeven energie ongunstiger dan bij zoogdieren.
a)
juist
b)
onjuist
7.
Hoe noemen we deze kringloop?
a)
koolstofkringloop
b)
stikstofkringloop
c)

kringloop van stoffen

8.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
9.

In de afbeelding is een deel van een voedselweb van de Noordzee weergegeven. De pijlen naar het schip geven aan dat er ook organismen door de mens gevangen en gegeten worden.


De Noordzee is nogal troebel. Dit wordt veroorzaakt door de grote hoeveelheden plankton. Plankton bestaat uit zeer kleine dierlijke en plantaardige organismen.


Behoort dierlijk plankton tot de producenten? En plantaardig plankton?

a)

Alleen dierlijk plankton behoort tot de producenten.

b)

Alleen plantaardig plankton behoort tot de producenten.

c)

Zowel dierlijk als plantaardig plankton behoren tot de producenten.

10.

Eiwitten bevatten stikstof. Stikstof komt in de bodem voor in nitraten. Planten nemen deze minerale zouten op en gebruiken ze om eiwitten op te bouwen uit glucose. Dieren kunnen zelf geen eiwitten maken uit glucose en nemen ze op met hun voedsel. Bij de afbraak van eiwitten in dode resten ontstaan weer nitraten.

In de wortels van verschillende plantensoorten leven bacteriën in wortelknolletjes. Deze bacteriën gebruiken stikstof uit de lucht om nitraten op te bouwen.


De informatie hierboven beschrijft een stikstofkringloop. Het schema (zie afbeelding) geeft deze kringloop weer.


Op de plaatsen van de cijfers ontbreken de namen van vier groepen organismen.

Schrijf de cijfers 1, 2, 3 en 4 uit de kringloop op de juiste plaats in de tabel.

a)

dieren = 3 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 4 / wortelknolbacteriën = 1

b)

dieren = 2 / planten = 3 / rottingsbacteriën = 4 / wortelknolbacteriën = 1

c)

dieren = 3 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 1 / wortelknolbacteriën = 4

d)

dieren = 2 / planten = 3 / rottingsbacteriën = 1 / wortelknolbacteriën = 4

e)

dieren = 1 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 3 / wortelknolbacteriën = 4

11.

Bij een onderzoek werd de totale biomassa bepaald van al het plantenmateriaal dat op een bepaalde composthoop werd gegooid. Na het composteren werd de biomassa van de ontstane compost bepaald. De biomassa vóór en ná het composteren werd vergeleken.


Is ná het composteren de totale biomassa kleiner, gelijk of groter?

a)

Kleiner

b)

Groter

c)

Gelijk

12.

In welke binastabel kan je de koolstofkringloop vinden?

(a)  

13.

Met welk kleur worden producenten weergegeven in de kringlopen?

a)

blauw

b)

bruin

c)

oranje

d)

groen

14.

Met welk woord wordt de celademhaling / verbranding van cellen aangegeven?

(a)  

15.

In welke binastabel is de stikstofkringloop weergegeven?

(a)  

16.

Welke organisme voeren ammonificatie uit?

(a)  

17.

Wat veroorzaakt stifstoffixatie?

a)

bliksem

b)

verkeer

c)

ozon

d)

industrie

18.

Deammonifacatie is een proces dat loopt zonder zuurstof. Aan welk woord an je dat zien in de binas?

(a)  

19.

Wat doen knolletjesbacterien?

a)

N2 --> NH3

b)

NH3 --> N2

c)

NO3- --> NH4+

d)

NH3--> NH4+

20.

Wat doen nitrietbacterien?

a)

NH3 --> Nh4

b)

N2 --> NOx

c)

NH4+ --> NO2-

d)

NO2- --> NO3-

21.

Wat wordt er aangegeven met oranje vakjes?

a)

anorganische verbindingen

b)

producenten

c)

organische verbindingen

d)

consumenten

22.

Welk proces zet de koolstof in de lucht om in koolstof in organische stoffen?

(a)  

23.

Wat is eutrofiëring?

a)

Door teveel voedingszouten ontstaat waterbloei

b)

Door teveel voedingszouten neemt de biodiversiteit toe

c)

Door te weinig voedingszouten neemt de biodiversiteit af

d)

Door te weinig voedingszouten ontstaat waterbloei

24.

Wat is een ander woord voor eutrofiëring?

a)

vermesting

b)

accumulatie

c)

waterbloei

d)

nitraat

25.

Welke organismen zullen vooral problemen krijgen door bio-accumulatie?

a)

producenten

b)

consumenten van de 1e orde

c)

consumenten van de 3e orde

d)

reducenten

26.

Wat is het verschil tussen een populatie en een levensgemeenschap?

a)

Populatie is alleen de dieren, levensgemeenschap is de dieren en planten samen

b)

Populatie is een groep organismen van 1 soort, een levensgemeenschap meerdere soorten bij elkaar

c)

Een populatie zijn alle organismen in een gebied, een levensgemeenschap is alle biotische factoren bij elkaar

d)

Een populatie is een groep dieren, een levensgemeenschap zijn de dieren met alle abiotische factoren bij elkaar

27.

Welk ecologisch niveau heeft de meeste interacties?

a)

individu

b)

populatie

c)

levensgemeenschap

d)

ecosysteem

28.

Wat voor conclusie kun je trekken over deze foto?

a)

De grote oren wijzen op een leven in een warm gebied

b)

De grote oren wijzen op alertheid op roofdieren

c)

De grote oren wijzen op een leven in een droog gebied

d)

De grote oren wijzen op het belang van onderlinge communicatie om beter te kunnen overleven

29.

Bij het bepalen van de grootte van een populatie zwerfkatten is gebruik gemaakt van de terugvangmethode. Bij de eerste vangst zijn 20 katten gevangen en gemerkt. Bij de tweede vangst blijken van de 32 katten, er 8 gemerkt te zijn. Uit hoeveel katten bestaat de populatie ongeveer?

a)

Ongeveer 80

b)

Ongeveer 50

c)

Ongeveer 5

d)

Ongeveer 160

30.

Wat verwacht je te zien bij een populatie die groeit volgens de S-curve?

a)

Een constant aantal organismen

b)

Een populatie die eerst sterk toeneemt en daarna ongeveer gelijk blijft in aantal

c)

Een populatie die sterk toeneemt in aantal

d)

Een populatie die heel sterk groeit in aantal en daarna heel snel weer afneemt

31.

Wat zijn kenmerken van secundaire successie?

a)

Er is al organisch materiaal aanwezig in de bodem

b)

Verloopt sneller dan primaire successie

c)

Start met uitsluitend autotrofe organismen

d)

Start met uitsluitend heterotrofe organismen

32.

Processen die deel uitmaken van de stikstofkringloop zijn:

1. denitrificatie

2. nitrificatie

3. rotting

4. biologische stikstoffixatie

5. fotochemische stikstoffixatie

Door welk of welke van deze processen komt stikstof uit de lucht terecht in de voedselketen?

a)

alleen 1

b)

alleen 2 en 4

c)

alleen 3

d)

alleen 1 en 3

e)

alleen 4 en 5

33.

Smal waterweegbree (Alisma gramineum) en slank waterweegbree (Alisma lanceolatum) zijn van de/hetzelfde

a)

ras

b)

soort

c)

geslacht

d)

familie

34.

Waarom komen er geen grote predatoren voor op kleine eilanden?

a)

De mens roeit deze vaak snel uit wanneer ze op een eiland komen

b)

Door evolutie passen dieren zich aan hun omgeving aan

c)

Grote dieren overleven vaak de overtocht naar een eiland niet

d)

Er is onvoldoende voedsel beschikbaar

35.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

36.

Waardoor wordt de piramide van biomassa NIET kleiner per schakel?

a)

Afgestorven delen

b)

Predatie

c)

Dissimilatie

d)

Uitwerpselen

37.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

38.
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
a)
Die is zeer waarschijnlijk kleiner dan 1000.
b)
Die is zeer waarschijnlijk groter dan 1000.
c)
Die kan met evenveel kans groter of kleiner zijn dan 1000.
39.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
40.

Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

a)

consumenten van de 1e orde

b)

producenten

c)

reducenten

d)

consumenten van de 2e orde

41.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
42.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

43.

Epifyten zijn planten die hoog in bomen op takken groeien. Hierdoor kunnen ze meer licht vangen dan op de grond. Ze 'stelen' geen voedingsstoffen van de boom waar ze in leven. Van welk type van symbiose is hier sprake?

a)

Mutualisme

b)

Commensalisme

c)

Parasitisme

44.

Reducenten (bacteriën en schimmels) breken dode organische materialen af. Welke omstandigheden zorgen voor de snelste afbraak van organische stoffen?

a)

Koude temperaturen

b)

aerobe omgeving (zuurstofrijk)

c)

Meer koolstof dan stikstof in het organisch materiaal

d)

Lage pH (zure omgeving)

45.

H6 Soorten en relaties: Een tarantula soort laat een bepaalde kikker soort leven in zijn nest. De kikker eet daar de mieren op die anders de eieren van de spin aanvallen. Welke vorm van symbiose is dit?

a)

Mutualisme

b)

Commensalisme

c)

Parasitisme

d)

Coöperatie

46.

H8 Ecosystemen: Op welk trofisch niveau zit je bij het eten van de croissant?

a)

Producent

b)

Consument 1e orde

c)

Consument 2e orde

d)

Reducent

47.

H8 Ecosystemen: In welke inerte vorm komt stikstof uit het rioolwater bij een zuiveringsinstallatie?

a)

N2

b)

NO3

c)

NH3

d)

N2O