wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal les 5 thema 2

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat kies je koesteren of verafschuwen:

De gezellige buurman sloopt de te hoge schutting tussen jullie tuinen.

a)

koesteren

b)

verafschuwen

2.

Wat kies je, koesteren of verafschuwen?

Je krijgt ruzie op het schoolplein en niemand helpt je.

a)

koesteren

b)

verafschuwen

3.

Wat kies je: koesteren of verafschuwen?

Je buurmeisje geeft een erg luidruchtig feestje terwijl jij morgenochtend heel vroeg op moet.

a)

koesteren

b)

verafschuwen

4.

Wat kies je, koesteren of verafschuwen?

Je mag eindelijk met de buurvrouw een ritje maken op haar motor. Je kijkt er al zo lang naar uit.

a)

koesteren

b)

verafschuwen

5.

In nood leer je je vrienden kennen. Dit is een spreekwoord. Het wil zeggen dat wanneer je in de problemen zit, wordt duidelijk wie je echte vrienden zijn. Kun jij hier eens een voorbeeld van geven?

4 lines
6.

Wat zijn in deze zin de zelfstandig naamwoorden?

De buurman loopt met zijn hond erg snel over de stoep.

(a)  

7.

Wat is zijn in deze zin de bijwoorden?

De buurman loopt met zijn hond erg snel over de stoep.

(a)  

8.

De kleine buurman heeft met zijn grote hond over de lange stoep gelopen. Wat zijn in deze zijn de bijvoeglijk naamwoorden?

(a)  

9.

Wat zijn de werkwoorden in deze zin?

De kleine buurman heeft met zijn grote hond over de lange stoep gelopen.

(a)  

10.

Waar of niet waar?

De hard blaffende hond van de buurman ligt op de stoep.

Hard is in deze zin een bijvoeglijk naamwoord.

a)

waar

b)

niet waar

11.

De hard blaffende hond van de buurman ligt op de stoep.

Wat is hard wel in deze zin?

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

bijwoord

12.

Schrijf de hoofdletter, punten, uitroeptekens en vraagtekens op de juiste plek:

sorry voor het raam zijn jullie erg boos

(a)  

13.

Schrijf de hoofdletter, punten, uitroeptekens en vraagtekens op de juiste plek:

ik kan zo slecht richten het gebeurde zomaar het was echt niet mijn bedoeling

(a)  

14.

Wat betekent het onderkomen?

a)

Dat je ergens onder zit

b)

Een plek om te wonen

c)

Dat je aan iets ontsnapt

15.

Wat betekent 'geen poot meer verzetten'.

a)

Een dier staat in de wei

b)

De verhuizers hebben de meubels in de kamer gezet

c)

Op dezelfde plek blijven

16.

Schrijf de betekenis op van verenigen.

(a)  

17.

Waar of niet waar?

Het tegenovergestelde van verenigen is scheiden.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Waar of niet waar?

Verbouwen is het tegenovergestelde van opknappen.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Waar of niet waar.

De uitdrukking 'Dat is niet voor de poes' betekent dat het niet mis is.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Waar of niet waar?

Voor een timmerman is een schaar een nuttig hulpmiddel.

a)

waar

b)

niet waar