Font size
WorksheetsO.T.T (2)
Total questions: 25
Worksheet time: 25mins
Ik (a) dat niet goed. (vinden)
[Je n'aime pas ça.]
Waarom (a) je niet met de auto? (rijden)
[Pourquoi tu ne conduis pas la voiture ?]
(a) jij de hond vast? (binden)
[Tu attaches le chien ?]
Dat (a) ik je morgen. (zenden)
[Je te l'enverrai demain.]
Je (a) te veel voor school. (werken)
[Tu travailles trop pour l'école.]
Ik (a) dat liever. (vermijden)
[Je préfère éviter cela.]
(a) je dat ze daar is? (vermoeden)
[Tu penses qu'elle est là ?]
Ik (a) de groep. (leiden)
[Je dirige le groupe.]
De boot (a) in het water. (glijden)
[Le bateau glisse dans l'eau.]
Het (a) vandaag. (regenen)
[Il pleut aujourd'hui.]
Deze aanbieding (a) alleen vandaag. (gelden)
[Cette offre n'est valable qu'aujourd'hui.]
Ik (a) naar de keuken. (lopen)
[Je me dirige vers la cuisine.]
Hij (a) de hond uit. (laten)
[Il promène le chien.]
Wim (a) een brood uit de automaat. (halen)
[Wim prend une miche de pain dans le distributeur automatique.]
Ik (a) mij voor dieren. (interesseren)
[Je m'intéresse aux animaux.]
Sandra (a) in een klein huisje. (logeren)
[Sandra vit dans une petite maison.]
Hij (a) heel veel lawaai. (maken)
[Il fait beaucoup de bruit.]
Mama (a) het beste eten. (koken)
[Maman fait la meilleure cuisine.]
Lucy (a) in een tent. (slapen)
[Lucy dort dans une tente.]
De hond (a) het huis. (bewaken)
[Le chien surveille la maison.]
Marijke (a) een mooie rok. (dragen)
[Marijke porte une belle jupe.]
Dat (a) ik ook niet. (weten)
[Je ne sais pas non plus.]
Je (a) wel goed gitaar. (spelen)
[Tu joues bien de la guitare.]
Voor mijn hond (a) ik en bal. (kopen)
[J'achète une balle pour mon chien.]
Ik (a) de tekst naar het Duits. (vertalen)
[Je traduis le texte vers l'allemand.]
