wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HerfstQuiz (Nando 1 - Module 1 en 2)

Total questions: 34

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

In het getal 3 879 096 is 7 het cijfer van de ...

a)

tientallen

b)

honderdduizendtallen

c)

tienduizendtallen

d)

duizendtallen

2.

106 is een ...

a)

letter

b)

getal

c)

cijfer

3.

Kies de ware uitspraak:

a)

7 < 2

b)

646\ge4  

c)

323\le2  

d)

5 > 8

4.

Kies de ware uitspraak:

a)

-12 ∉ Z

b)

-4,5 ∈ Z

c)

2 ∈ Q

d)

3 ∉ N

5.

- 10,8 \in   ... (wees zo nauwkeurig mogelijk)

a)

N

b)

Z

c)

Q

d)

Geen van allen

6.

Het symbool voor 'is een deelverzameling van' is ...

a)

\subset  

b)

\in  

c)

\cap  

d)

D

7.

Wat is het kleinste even geheel getal dat je kunt vormen met 5 verschillende cijfers?

a)

-98756

b)

-98765

c)

10234

d)

12354

8.

Als ik water verbruik, dan poets ik mijn tanden.

a)

waar

b)

niet waar

9.

x > 5 ⇒ x ⩾ 7

a)

waar

b)

niet waar

10.

x < 100 ⇒ x >20

a)

waar

b)

niet waar

11.

Het getal 675,907 afgerond op 0,01 nauwkeurig

a)

\approx  675,91

b)

\approx  675,90

c)

\approx  675,9

d)

\approx  675

12.

Hoeveel tandems moeten er minstens gehuurd worden voor een groep van 35 mensen?

a)

17

b)

17,5

c)

18

d)

19

13.

Duid de juiste verhouding aan:

In een scoutsgroep zitten 50 van de 250 leden in de jongste groep.

a)

50250\frac{50}{250}  

b)

25050\frac{250}{50}  

c)

15\frac{1}{5}  

d)

525\frac{5}{25}  

14.

25% van 800 is ...

a)

200

b)

100

c)

400

d)

300

15.

Je trekt 1 kaart uit een spel van 52 kaarten, hoe groot is de kans op het trekken van een vijf ?

a)

152\frac{1}{52}  

b)

552\frac{5}{52}  

c)

452\frac{4}{52}  

d)

113\frac{1}{13}  

16.

Je werpt met een dobbelsteen. Hoe groot is de kans dat je lager dan 3 gooit? 

a)

36\frac{3}{6}  

b)

26\frac{2}{6}  

c)

12\frac{1}{2}  

d)

13\frac{1}{3}  

17.

Hoe groot is de kans dat je uit een zakje van 60 snoepjes één van de 20 rode snoepjes neemt?

a)

120\frac{1}{20}  

b)

13\frac{1}{3}  

c)

2060\frac{20}{60}  

d)

26\frac{2}{6}  

18.

Wanneer de werkelijke lengte 4cm is en de lengte op de tekening 80cm is, dan is de evenredigheidsfactor ...

a)

4 : 80

b)

1 : 20

c)

20

d)

2

19.

De Eiffeltoren werd op schaal 1 : 100 gebouwd. De werkelijke lengte is 300m hoog. Hoe hoog is het schaalmodel?

a)

30 cm

b)

3 m

c)

3 cm

d)

30 m

20.

Welke bewering is juist?

a)

xQ  xNx\in Q\ \Longrightarrow\ x\in N

b)

xQ  xZx\in Q\ \Longrightarrow\ x\in Z  

c)

xZ  xNx\in Z\ \Longrightarrow\ x\in N  

d)

xN  xQx\in N\ \Longrightarrow\ x\in Q  

21.

In 250 : 5 = 50 is 250

a)

het deeltal

b)

de deler

c)

het quotiënt

d)

de eerste term

22.

Duid het juiste symbool aan voor 'de verzameling van de positieve gehele getallen'.

a)

Z0Z_0  

b)

Z+Z^+  

c)

Z+Z_+  

d)

N+N^+  

23.

-|-2| =

a)

2

b)

-2

24.

Het tegengestelde van 89 is ...

a)

89

b)

98

c)

-98

d)

-89

25.

De coördinaat van het punt A is ...

a)

(3,4)

b)

(-3,4)

c)

(-4,3)

d)

(4,3)

26.

Het punt met coördinaat (0,0) noemen we

a)

de oorsprong

b)

het midden

c)

het middelpunt

d)

het nulpunt

27.

Als je twee negatieve getallen met elkaar vermenigvuldigt, dan is het product

a)

positief

b)

negatief

c)

altijd 0

d)

altijd 1

28.

Welke verzameling wordt hier voorgesteld met symbolen?

{ ..., -4, -3, -2, -1, 1, 2, 3, 4, ... }

a)

de verzameling van de gehele getallen zonder nul

b)

de verzameling van de positieve gehele getallen

c)

de verzameling van de gehele getallen

d)

de verzameling van de natuurlijke getallen

29.

Geef de eigenschap in woorden :

a)

nul is het neutraal element bij de optelling in Z

b)

nul is het opslorpend element bij de optelling in Z

c)

nul is het neutraal element bij de vermenigvuldiging in Z

d)

nul is het opslorpend element bij de vermenigvuldiging in Z

30.

Welke eigenschap is hier toegepast?

3 (2+5)=6 + 15 = 213\cdot\ \left(2+5\right)=6\ +\ 15\ =\ 21  

a)

de vermenigvuldiging is distributief ten opzichte van de aftrekking in Z

b)

de vermenigvuldiging is distributief ten opzichte van de optelling in Z

c)

de optelling is distributief ten opzichte van de vermenigvuldiging in Z

d)

de vermenigvuldiging is associatief in Z

31.

42 - (35 - 5) = ...

a)

2

b)

12

c)

72

d)

22

32.

2+35 = ...2+3\cdot5\ =\ ...  

a)

16

b)

25

c)

17

d)

22

33.

30 : (8+(2))+2 = ...30\ :\ \left(8+\left(-2\right)\right)+2\ =\ ...  

a)

7

b)

5

c)

3,75

d)

2,5

34.

-6 + (-3) = ...

a)

-9

b)

-3

c)

3

d)

9