wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Megaherhalingsquiz Nederlands MODULE 1

Total questions: 73

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

2.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

3.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

4.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

5.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets

6.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

7.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

8.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

9.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Gisteren overstroomde de rivier compleet.

a)

gisteren

b)

de rivier

c)

compleet

d)

overstroomde

10.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Bij biologie zitten we op de eerste rij.

a)

we

b)

biologie

c)

zitten

d)

rij

11.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

12.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Hij (downloaden) niet alleen, hij updadet ook altijd.

a)

downloadt

b)

download

c)

downloaded

13.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

De leerling (overleggen) met het groepje over de opdracht van Nederlands.

a)

overlegd

b)

overlegt

c)

overleggen

14.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Marcel (vinden) de opdracht leuk.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

15.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Ik (rijden) vandaag met de fiets naar huis.

a)

rijd

b)

rijden

c)

rijdt

16.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Hij (worden) altijd weggebracht als het regent.

a)

word

b)

wordt

c)

worden

17.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

(Verzenden) je de e-mail nu naar de docent?

a)

Verzend

b)

Verzendt

c)

Verzenden

18.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Joris (bekladden) de muren met groene verf.

a)

bekladden

b)

beklad

c)

bekladt

19.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Waar (bewaren) John zijn laptop?

a)

bewaar

b)

bewaard

c)

bewaart

20.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Anne (verdienen) elke week vijftig euro.

a)

verdiend

b)

verdient

c)

verdien

21.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

U (verwennen) de kinderen teveel!

a)

verwent

b)

verwend

c)

verwen

22.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Het model (showen) de nieuwste mode.

a)

show

b)

showt

c)

showd

23.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

De muis (knagen) alle draden door.

a)

knaagt

b)

knaagd

c)

knaag

24.

Vul de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in.

Het publiek (juichen) als er een doelpunt wordt gemaakt.

a)

juichen

b)

juichd

c)

juicht

25.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
26.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
27.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
28.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
29.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
30.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
31.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
32.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
33.

Als je de tijd in een zin verandert, verander je......

a)

het onderwerp

b)

de persoonsvorm

34.

Met de tijdproef ....

a)

zet je de persoonsvorm in een andere tijd.

b)

maak je meervoud.

35.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)

amuseren

36.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)

amuseren / ontspannen

37.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)

overtuigen

b)
informeren
c)
instructies geven
d)

amuseren / ontspannen

38.
Wat is het tekstdoel?
Een liefdesgedicht dat je krijgt van een klasgenootje.
a)

ontroeren / emotioneren

b)
informeren
c)
instructies geven
d)

amuseren / ontspannen

39.
Wat is het tekstdoel?
Een cartoon in de krant.
a)
amuseren
b)
overtuigen
c)

waarschuwen

d)

ontroeren / emotioneren

40.
Wat is het tekstdoel?
Een bijsluiter van een medicijn waarin staat hoeveel pilletjes per dag je moet nemen.
a)
instructies geven
b)
amuseren
c)
ontroeren
d)

overtuigen

41.
Wat is het tekstdoel?
In de nieuwsbrief van de school staan alle activiteiten opgesomd van de komende maand.
a)

emotioneren

b)
amuseren
c)
informeren
d)
instructies geven
42.

Wat is het tekstdoel?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

waarschuwen

d)

ontspannen

43.

Wat is het tekstdoel?

a)

ontroeren

b)

ontspannen

c)

overtuigen

d)

informeren

44.

Wat is het tekstdoel?

a)

ontroeren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

ontspannen

45.

Wat is de tekstsoort?

a)

persuasieve tekst

b)

informatieve tekst

c)

narratieve tekst

d)

prescriptieve tekst

46.

Fictie en non-fictie

Welk teksttype past niet in het rijtje?

a)

een cartoon

b)

een Harry Potter-boek

c)

een handleiding van een televisietoestel

d)

een Geronimo Stilton-boek

47.

De meester ... (versieren) de stoel van de juf.

(a)  

48.

Anna ... (rijden) met haar fiets door het bos.

(a)  

49.

Daan en Lena ... (schommelen) vaak in de speeltuin.

(a)  

50.

... (Worden) jij afgehaald door je ouders?

(a)  

51.

Je ... (vinden) dat toch niet erg?

(a)  

52.

... (Schrijven) Renske graag veel verhalen?

(a)  

53.

Zij ... (blazen) 50 kaarsjes uit met z'n tweeën.

(a)  

54.

Wat is formeel taalgebruik?

a)

Netjes, zakelijk, deftig

b)

Losser taalgebruik, maar wel correct taalgebruik

c)

Taalgebruik wat je gebruikt op straat

55.

Wat is een voorbeeld van formeel taalgebruik?

a)

Hoi

b)

Doei

c)

Beste

56.

Wat is een voorbeeld van informeel taalgebruik?

a)

Geachte

b)

Hoogachtend

c)

Groetjes

57.

Welke soort taalgebruik gebruik je bij een e-mail naar iemand die je goed kent?

a)

Formeel taalgebruik

b)

Informeel taalgebruik

c)

Straattaal

58.

Bij welke soort taalgebruik hoort 'Hoogachtend'?

a)

Formeel taalgebruik

b)

Informeel taalgebruik

c)

Straattaal

59.

Bij welke soort taalgebruik hoort 'Geachte'?

a)

Formeel taalgebruik

b)

Informeel taalgebruik

c)

Straattaal

60.

Bij welke soort taalgebruik hoort 'tot snel'?

a)

Formeel taalgebruik

b)

Informeel taalgebruik

c)

Straattaal

61.

Wat is non-verbale communicatie?

a)

Communiceren door gebaren te gebruiken met je handen.

b)

Communiceren met je gezichtsuitdrukking.

c)

Je lichaamstaal gebruiken om ene boodschap over te brengen.

d)

Alles dat hier staat.

62.

Gezichtsuitdrukkingen, houding en oogcontact zijn allemaal zaken die je gebruikt bij ...

a)

verbale communicatie

b)

anti-verbale communicatie

c)

post-verbale communicatie

d)

non-verbale communicatie

63.

Je gebruikt non-verbale communicatie om...

a)

... te tonen dat je met iets wel of niet akkoord gaat.

b)

... verbale boodschappen te vervangen.

c)

... verbale boodschappen sterker te maken.

d)

Alles wat hier staat.

64.

Wat is een goed voorbeeld van een vergelijking? Duid alle goede antwoorden aan.

a)

Je bent zo gezond als een vis!

b)

Ik ben zo verkouden als een snip.

c)

Jij bent beresterk.

d)

Jij bent zo nijdig!

65.

Lowie geeft stiekem een briefje aan Marieke in de klas waarop staat: 'Ik vind jou leuk'.

Wie is de zender in deze communicatiesituatie?

a)

Lowie

b)

Marieke

c)

de leerkracht

d)

het briefje

66.

Lowie geeft stiekem een briefje aan Marieke in de klas waarop staat: 'Ik vind jou leuk'.

Wie is de ontvanger in deze communicatiesituatie?

a)

Lowie

b)

Marieke

c)

de leerkracht

d)

het briefje

67.

Lowie geeft stiekem een briefje aan Marieke in de klas waarop staat: 'Ik vind jou leuk'.

Wat is het kanaal in deze communicatiesituatie?

a)

Lowie

b)

Marieke

c)

Ik vind jou leuk.

d)

het briefje

68.

Lowie geeft stiekem een briefje aan Marieke in de klas waarop staat: 'Ik vind jou leuk'.

Wat is de boodschap in deze communicatiesituatie?

a)

Lowie

b)

Marieke

c)

Ik vind jou leuk.

d)

het briefje

69.

Wat is de congruentieregel?

a)

Wanneer het onderwerp verandert van getal (meervoud / enkelvoud), dan verandert de persoonsvorm mee.

b)

Wanneer je de tijd verandert van de zin, verandert de persoonsvorm mee.

c)

Wanneer je de ja-neevraag stelt, staat de persoonsvorm automatisch vooraan.

d)

Het onderwerp staat altijd bij de persoonsvorm.

70.

Oogcontact maken is een vorm van non-verbale communicatie.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

71.

Tekstvoorbeeld: stripverhaal

Wat is de tekstsoort van dit tekstvoorbeeld?

(a)  

72.

Tekstvoorbeeld: reclame

Wat is de tekstsoort van dit tekstvoorbeeld?

(a)  

73.

Tekstvoorbeeld: krantenartikel

Wat is de tekstsoort van dit tekstvoorbeeld?

(a)