wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling 2: persoonsvorm t.t.

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is waar over de persoonsvorm? Geef het beste antwoord.

a)

De persoonsvorm past bij het werkwoord.

b)

De persoonsvorm verandert als je de tijd verandert.

c)

De persoonsvorm is bijvoorbeeld 'ik' of 'jij'.

d)

De persoonsvorm is een soort persoon.

2.

Wat is waar over de persoonsvorm? Geef het beste antwoord.

a)

De persoonsvorm verandert als je het aantal van het onderwerp, verandert.

b)

Als er meer personen zijn, is het altijd meervoud.

c)

De persoonsvorm hoort bij personen in de enkelvoud.

d)

Een persoonsvorm is altijd alleen.

3.

Wat is waar over de persoonsvorm? Geef het beste antwoord.

a)

De persoonsvorm kan alleen de tegenwoordige tijd aangeven.

b)

De persoonsvorm is onveranderlijk.

c)

Bij een vraagzin, verhuist een persoonsvorm naar de eerste plaats.

d)

Een persoonsvorm zit altijd vast aan het onderwerp.

4.

Op welke plek is gebruik gemaakt van een persoonsvorm?

Ik(1) kan(2) soms(3) dansen(4), springen(5) en zingen(6) tegelijk.

a)

1

b)

2

c)

3, 4, 5, 6

d)

2, 3, 4, 5, 6

5.

Op welke plek is gebruik gemaakt van een persoonsvorm?

Op maandag is(1) de winkel gesloten(2).

a)

Alleen bij 1.

b)

Alleen bij 2.

c)

Bij 1 en bij 2 want het is een samengestelde zin.

d)

In deze zin staat geen persoonsvorm want 'de winkel' is een ding, geen persoon.

6.

Vul de persoonsvorm goed in:

Als Bas naar huis (willen) om te (eten), dan (helpen) je hem om zijn jas (aantrekken) te (aantrekken).

a)

wil, hielp

b)

wilde, help, aantrekken

c)

will, helpt

d)

wil, help

7.

Vul de persoonsvorm goed in:

Koen (worden) dinsdag 15 jaar.

(Willen) jij later docent worden?

Ik (houden) veel van mijn huisdieren.

a)

word, wilt, houdt

b)

wordt, will, houdt

c)

wordt, wil, houd

d)

word, wilt, houd

8.

In welke zin staat de persoonsvorm fout?

a)

Ik loop naar het bos.

b)

Fietst je naar je vriendin?

c)

Wordt hij vastgehouden?

d)

Is dansen jouw grootste hobby?

9.

In welke zin staat de persoonsvorm fout?

a)

Gert en Bert gaan zeilen.

b)

Wij lopen met de kapotte fiets naar huis.

c)

Wordt je tante morgen 50 jaar?

d)

Wordt jij later computerdeskundige?

10.

Waar staat het juiste aantal persoonsvormen tussen haakjes?

a)

Wat betekent dit precies? (0)

b)

Toby, wat wil jij later worden? (1)

c)

Mees wilde altijd al fietsen maken. (3)

d)

Wat is er gebeurd? (2)

11.

(vieren) (a)   hij zijn verjaardag morgen?

12.

Hij (worden) (a)   je beste vriend.

13.

(Houden) (a)   je moeder van je vader?

14.

Het (gebeuren) (a)   steeds opnieuw.

15.

(Denken) __________ jij dat het morgen (gaan)__________ (regenen)_________?

(a)