wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling spelling + grammatica blok 1

Total questions: 20

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wesley surft graag over hoge golven.


Het werkwoord ''surft'' is een?

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

2.

Wesley heeft vorig jaar veel gesurft.


Het werkwoord ''gesurft'' is een?

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

3.

Wesley wil graag op vakantie gaan surfen.


Het werkwoord ''surfen'' is een?

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

4.

Een werkwoord kan voorkomen als een...


Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Persoonsvorm

b)

Meewerkend voorwerp

c)

Infinitief

d)

Voltooid deelwoord

e)

Onderwerp

5.

Op welke manieren kan je de persoonsvorm vinden?

a)

Zin vragend maken

b)

Alle werkwoorden in de zin zoeken

c)

Tijdsproef

d)

Getalproef

6.

Piet werkt elke dag heel erg hard!


Wat is de persoonsvorm?

a)

Werkt

b)

Piet

c)

Elke dag

d)

Heel erg hard

7.

De koning las vorige maand de troonrede voor.


Wat is de persoonsvorm?

a)

Vorige maand

b)

De koning

c)

De troonrede

d)

Las

8.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit persoonsvorm + andere werkwoorden in de zin...

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Als te voor het infinitief staat, hoort deze NIET bij het werkwoordelijk gezegde...

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

De medewerker vraagt mij de microscoop te pakken.


Wat is het werkwoordelijk gezegde?

a)

Te pakken

b)

Vraagt te pakken

c)

Vraagt

11.

Wij voetballen komende maand tegen Quick Boys.


Wat is het werkwoordelijk gezegde?

a)

Voetballen komende maand

b)

Komende maand

c)

Voetballen

d)

Voetballen tegen Quick Boys

12.

De persoonsvorm van sommige werkwoorden kan gescheiden in de zin voorkomen...

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Wat is het scheidbaar samengesteld werkwoord in deze zin?


Maikel woont de finale van het Nederlands kampioenschap bij.

a)

Woont bij

b)

Woont

c)

Maikel woont

14.

Als je het onderwerp van de zin zoekt, stel je jezelf de volgende vraag:


Wie of wat + gezegde?

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

De hamster is gestorven aan de barre kou.


Wat is het onderwerp?

a)

Gestorven

b)

Barre kou

c)

De hamster

d)

Is

16.

Vorige week heeft hij bij haar een onvoldoende gehaald!


Wat is het onderwerp?

a)

Hij

b)

Haar

c)

Een onvoldoende

d)

Vorige week

17.

De persoonsvorm in het enkelvoud noemen we de ik-vorm...

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

De basis van het werkwoord is de stam. Dat is infinitief met -en.

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

De ik-vormen van de volgende werkwoorden (lopen, eten, zitten, staan, gaan) zijn...

a)

Liep, at, zat, ging

b)

Loop, eet, zit, sta, ga

c)

Lopen, eten, zitten, gaan, staan

20.

De stammen van de volgende werkwoorden (voetballen, koken, zwemmen, fietsen, vallen) zijn...

a)

Voetbal, kook, zwem, fiets, val

b)

Voetbalde, kookte, zwom, fietste, viel

c)

Voetbal, kok, zwem, fiets, val